is toegevoegd aan je favorieten.

Winkler Prins' geïllustreerde encyclopaedie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

c.

Cellulairpatholo&ie is een naam, door Virehow gebezigd in de geneeskundige wetenschap. Vanouds namelijk hebben de geneeskundigen er over gestreden, welke lichaamsdeelen bij een ziekte oorspronkelijk zijn aangetast en waar men het uitgangspunt eener ongesteldheid moet zoeken. Daardoor ontstonden de twee partgen dof humoraalpathologen, • die in de vochten, en der solidairpathologen, die in de vaste deelen des lichaams, vooral dn de zenuwen, de oorzaken zochten der ongesteldheid. Hoewel de ervaring gunstig schijnt voor het gevoelen van eerstgenoemden, kan dit toch niet als algemeene regel gelden. Ziekte en gezondheid zijn enkel levensuitingen. Zoekt men de oorzaak der ziekten in de vochten, dan moet men ook het bloed als de zetel van het leven beschouwen — zoekt men haar in de vaste deelen, in de zenuwen, dan dient men deze als zoodanig aan te merken. Wij weten echter, dat het leven niet uitsluitend gebonden is aan bloed en zenuwen, daar er dierlijke organismen bestaan, die leven, maar van bloed en zenuwen verstoken s$n. Maar overal, waar wij teven ontwaren, ontdekken wij cellen. De cel (zie aldaar) is derhalve de oorspronkelijke vertegenwoordigster van het leven en vormt het uitgangs- en middelpunt van alle verschijnselen des levens. Is zij de zetel des levens, dan moet zij ook de kweekplaats der ziekte zijn, want deze is niets anders dam een eigenaardig verschijnsel des levens. Ook in het bloed zijn de cellen, namelijk de 'bloedlichaampjes, de woonstede des levens. Met betrekking tot de zenuwen, spieren en klieren en in het algemeen met betrekking tot alle weefsels heeft men opgemerkt, dat hun bestaan aan cellen of oel'vprmdge lichamen gebonden is. Op d'eze feiten en reden eerdngem rust de cellulairpathologische theorie van Virekma. Hij heeft haar vooral opgehelderd in zijn werk: „Die Cellularpathologie in ihrer Begründung auf physiologische und pathologische Gewebelehre" (Berlijn 1858, 4de druk 1871). Deze theorie verzoent bovengemelde twee partijen door de aanwijzing, dat zoowel in de vloeibare, als in de vaste deelen des lichaams het le▼en en dus de oorsprong der ziekten in de cellen' te zoeken is.

Celluloid of kunstivoor werd in 1869 door de gebroeders Hyatt in Amerika uitgevonden, maar eerst sedert 1873 op giroote schaal vervaardigd. Het bestaat uit een mengsel van nitrocellulose en kamfer. Als grondstof kan iedere, zooveel mogelijk awere cellulose gebruikt worden, hoewel de fabrikanten bij voorkeur fijn papier daartoe nemen. Dit laatste wordt door afzonderlijke machines in kleine stukjes gescheurd, deze komen in een mengsel van 2 deelen zwavelzuur en 1 deel salpeterzuur (36° B); hierin blijven ze ongeveer 5 minuten. Door centrdfugeeren wordt het materiaal van het aanhangende zuur

V.

bevrijd en ten slotte uitgewasschen en gedroogd.

Volgens nieuwe methoden wordt het papier ook wel aan het stuk genitreerd, vervolgens uitgewasschen en 'tussohen walsen gedroogd, terwijl tenslotte de nitrocellulose op een wals opgewikkeld wordt. Deze droge nitrocellulose wordt met kampfer door maling innig vermengd en dan door alcohol, minder door aether, wegens het daarmee verbonden explosiegevaar, tot een gummi-achtige oplossing verwerkt. Na toevoeging van de een of andere kleurstof wordt het mengsel tot een homogene massa gewalst en dan onder sterke drukking aan een hooge temperatuur blootgesteld. Uit de pers komt de stof dn de gedaante van blokken, die in een snijmachine tot platen, zelfs van 0,1 mm. dikte, verwerkt worden. De noodige 'hardheid krijgen ze eerst in het drooghuis, waarin zij weken of maanden lang, afhankelijk Tan dikte en bestemming blijven. Na het drogen worden de platen weer in kokend water geweekt en in verwarmde vormen geperst. Door verschillend gekleurde platen tot één blok te persen, is men er dn geslaagd verschillende natuurproducten, zooals marmer, schildpad enz. na te bootsen.

Het ongekleurde celluloid is wit of geelachtig, is eendgszins doorschijnend en zeer elastisch, hard, vast en bijna niet te breken, terwijl het op dezelfde wijze als hoorn bewerkt kan worden. Bij een temperatuur van 75° C. verkrijgt de stof een zoo grooten graad van elasticiteit, dat men het iederen vorm kan doen aannemen, die het bij afkoeling behoudt, terwijl het bij hernieuwde verwarming den ouden vorm weer aanneemt. -Door bevochtiging met de een of andere stof, waarin het oplost, bijv. aceton, azijnaether, kunnen 2 lichamen volkomen vereenigd worden, door de natte vlakken tegen elkander te drukken. Bij een temperatuur van 125° C. ontbrandt de stof, met een roetende vlam, terwijl daarbij een sterke kamferreuk ontstaat; explosies door slag, stort of wrijving zijn echter geheel buitengesloten. Verschillende voorwerpen worden eruit vervaardigd, zooals billartfoallan, speelgoed, kammen, gebitten, 'boekbanden, dozen, reclamekaarten, gevoelige platen o.a. voor kinematografenfilims, isolatoren, bakken voor transportabele accumulatoren, daar het goed tegen de inwerking van zuren bestand is, enz. Ook in de boekdrukkunst wordt sinds eenige jaren celluloid gebruikt voor ondergrondplaten, waarin figuren van eiken vorm gesneden worden.

Wegens het groote brandgevaar bij het gebruik van celluloïdfdlms, heeft men hierom naar andere materialen uitgezien. Vermoedelijk zal bet eelliet, .uit acetylcellulose en kamfer bereid, op den duur veel toepassing vinden.

Literatuur: Pliest, Stink en Vieweg, Das Zelluloid, Beschreibung seiner Herstellung, Ver-

■ *#4'•