Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 133. De Kerk en de letterkundige renaissance.

253

Kerk x). De beroemdste is wellicht Poggio Bracciohni (f 1459). Hij ontrukte Quintilianus, Lucretius, Silviusltalicus, Ammianus M ar c e llinu s, waarschijnlijk ook de eerste boeken van Tacitus, aan de vergetelheid en vertaalde L ucianus, Diodorus Siculus en Xenophon. Daarbij was hij echter een ontuchtig en lasterziek mensch. Het oude heidendom ging hem zóózeer ter harte, dat hij alle schatten der dogmatiek zou gegeven hebben voor een nieuwe rede van Cicero. Zijn zedelooze Facetiae zijn berucht. Toch trad hij als zedenmeester tegen de geestelijkheid op2). De meest schaamtelooze hersteller van het heidendom was Laurentius Valla (f 1457). Znn boek De voluptate verhief de wellust tot het hoogste goed. De maagdelijkheid noemde hij de grootste ellende. Wat later dorst hij de religieuze geloften bestrijden (De professione religiosorum). Het eerste schreef hij een boek tegen de onechte Donatio Constantini. Eindelijk ging hij naar Rome, herriep zijn misslagen en stierf als pausehjk secretaris en kanunnik van het Lateraan 3). Antonius Beccadelli (f 1471) was vooral berucht om zijn Hermaphroditus, een verzameling van epigrammen. Het werk werd orjenhjk verbrand en de schrijver geëxcommuniceerd 4). Pomponius Laetus en Platina (t 1481) stonden met hun gansche academie als heidenen en samenzweerders tegen den Paus in verdenking. Streng werden zij door Paulus H behandeld en kwamen aldus allengs tot bezinning. De eerste kon onder Sixtus TV zijn voorlezingen te Rome hervatten, de laatste stierf als bibliothecarius van het Vaticaan. De grootste vruchtbaarheid ontwikkelde Franciscus Fflelfo (f 1481). Hij schreef Carmina, Epigrammata-, De jocis et seriis en een epos op het huis der S f o r z a. De gewone ij delheid der humanisten steeg bij hem tot het ongeloofelijke. Hij noemde zich het genie van zijn tijd ; om hem moest de aarde zich draaien, omdat hij Grieksch sprak en goed Latijn schreef 6). De humanisten noemden zich gaarne „poëten" maar slechts weinigen hadden dichterlijk talent. Gehjk hun proza, zoo leed ook hun poëzie aan holle zinledigheid, koude navol-

Korting, Boccaccios Leben und Werke, Leipzig 1880. Het Latijnsche hoofdwerk : Genealogia Deorum, Venetiis 1647.

») Opera, Basil. 1538. Hist. populi Florentini, Muratori, SS., T. III. s) L. Valla, Opera, Basil. 1540.

4) A. Beccateliu8, Epistolae et Orationes, Ven. 1653. 6) Gedrukt werden van zijn dichtwerk enkel de satiren. Satyrarum. decades X, Venet. 1502. .

Sluiten