Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 152. Inwendige ontwikkeling van het protestantisme.

385

onder zuchten en weenen. Het leven der Kwakers is duister en ernstig, daar zij alle spel en vreugdebetoon vermijden, zoowel den eed weigeren als staats- en mihtiedienst. Allen dragen nagenoeg dezelfde kleeding. Aanvankelijk hadden de Kwakers in Engeland een harde vervolging te verduren. Eerst Robert Barclay en William Penn verbeterden hun inrichting. De laatste stichtte den Kwakerstaat Pennsylvanië met de hoofdstad Philadelphia (1682)l).

5°. Het piëtisme 2) was een terugwerking tegen het bederf der ketterij. In Duitschland werkte daarvoor J. Arndt, Joannes Gerhard, J. Val. Andreae, Joannes Meyfart enz. Ook in Nederland begon men in de XVII eeuw de beoefening der piëtistische ascese. De voornaamsten dezer secte waren de gebroeders Teelink, Willem (t 1629), die „oefeningen" tot vroomheid hield, en E w a 1 d ; vervolgens de Utrechtsche hoogleeraar V o e t i u s (f 1676), die voor zijn studenten „Oefeningen tot vroomheid" schreef 3). De als ascetische boetprediker bekende Jodocus van Lodenstein (t 1677) had een grooten aanhang en hield voortdurend mystieke samenkomsten, waarbij zich ook Anna Maria Schuurman aansloot. Te gelijker tijd traden Willem a Brakel en Jacobus Koelman leerend en predikend op en vonden bij een groot deel der Nederlandsche bevolking aandachtig gehoor. Het aantal volgelingen van den Franschen predikant Jean de Labadie, die 1666 uit Genève naar Middelburg beroepen, spoedig als rustverstoorder werd afgezet, slonk na zijn dood te Altona (1674) altijd meer. In 1675 vestigde zich een deel der Labadisten 4) te Wieuwerd in Friesland en verdween allengs, vooral sedert in 1688 de gemeenschap van goederen was opgeheven. Ook de mystieke sekten der Engelenbroeders, der Hebreen en der CoUegianten te Rijnsburg en in enkele Hollandsche steden hadden geen lang bestaan. De „Hat-

>) Weingarten, Die Revolutionskirchen Englands, Leipzig 1868.

*) Heppe, Gesch. des Pietismus und der Mystik in der reform. Kirche, namentlich der Niederlande, Leiden 1879. Albert Ritschl, Gesch. des Pietismus, Bonn 1880. H. v. Berkum, De Labadie en de Labadisten enz. enz. Sneek 1851.

3) H. Heppe, Der Piëtist G. Voetius zu Utrecht (Theol. Stud. u. Kritiken, 1878, LI, S. 692).

4) Het Labadisme. Stemm. voor waarheid en vrede, 1870, bl. 279 vv. Vgl. Vragen van den dag, 1897, bl. 81 w.

P. Albera, S. J. Kerkgesch. II. 25

Sluiten