Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 162. Theologische dwalingen.

471

Hauranne, meer bekend als „abbé de St. Cyran". Na zijn graad te hebben ontvangen, vertoefde hij eerst te Bayonne, de geboortestad van De Hauranne en sedert 1617 te Leuven. Als professor en ook als bisschop van Yperen (1636) werkte Jansenius aan een groot werk over de genade naar de leerstellingen van Augustinus. Bij zijn dood in 1638 vermaakte hij het handschrift aan zijn kapelaan Reginaldus Lamaeus, om het te toonen aan Libertus Fromondus, professor te Leuven, en aan den Brusselschen kanunnik HenricusCalenus, en om met de meeste getrouwheid over de uitgave te beschikken.

Zonder uitdrukkelijk verlof van den H. Stoel mocht niets gedrukt worden over de leer der genade en zeker niet ten gunste van Bajus1). Toch verscheen de „Augustinus", waarvan ook de internuntius de uitgave trachtte te verhinderen, in 1640, goedgekeurd door Pontanus en Calenus, pausehjke en koninkhjke revisoren. Hier zegevierde de Bajanistische partij 2). Reeds in 1641 was de eerste editie uitverkocht en verscheen er een nieuwe door 10 doctoren der Sorbonne goedgekeurd. Een groot aantal anderen en vooral de Jezuïeten bestreden het werk, dat in Augustus 1641 door de inquisitie, in 1642 door Urbanus VIII verboden werd 8). Met betrekking tot de leer der oorspronkelijke gerechtigheid vernieuwde Jansenius de dwalingen van Bajus. Hieruit vloeide zijn valsche leer aangaande de erfzonde voort. Door deze werd volgens hem, de gansche menschelijke natuur bedorven, zoodat ze tot niets goeds in staat en al haar streven

") Daarom is de goede trouw van Jansenius en zijn aanstonds volgend protest moeilijk te redden, wijl hij heel zijn leven aan de vernieuwing der veroordeelde leer van Bajus werkte.

2) In zijn testament had Jansenius gezegd : „Sentio enim aliquid difficulter mutari posse. Si tarnen Bomana sedes aliquid mutari velit, sum obediens filius et illius ecclesiae, in qua semper vixi usque ad hunc lectum mortis, obediens sum." Zie verso van het titelblad der editio princeps met de onderteekening van Calenus. Anderen meenen, dat dit testament ondergeschoven is. Vgl. Vandenpeereboom, t. a. p. 49 vv. Toch is de onderwerping aan het slot van den „Augustinus" even sterk : Quidquid de rebus tam multiphcibus et arduis, non juxta meam, sed juxta S. Doctoris mentem pronuntiavi, ex Apostolicae sedis Ecclesiaeque Romanae matris meae judicio sententiaque suspendo, ut illud jam nunc teneam, si tenendum, revocem, si revocandum, damnem et anatheraatizem, si damnandum et anathematizandum esse judicaverit." Zie Epüogus, p. 1071.

3) De Constit. In eminenti bij Du Plessis, Collectio judiciorum etc. III, 2, p. 245—246. Vgl. I, 1, p. 49—52. Buil. ed. Taur. XV, 92.

Sluiten