Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

528

§ 165. De Kerk tegenover de revolutie en Napoleon I.

lijk of in het geheel niet betaald. In de uitvoering ging men met veel ruwheid en heihgschennis te werk *).

Twee geestehjke vorstendommen bleven bestaan : het gebied der Duitsche orde, wijl een Oostenrijksche prins grootmeester was ; en het tot aartsbisdom verheven sticht Regensburg voor Karei Theodoor van Dalberg, die bij Napoleon in blakende gunst stond. Te recht was Pius VII om de secularisatie in Duitschland in diepe droefheid gedompeld, niet alleen wegens de tijdehjke schade, maar vooral ter oorzake van het geestehjk nadeel, dat de secularisatie vergezelde en volgde. Sommige bisschoppen traden af, andere stierven. De kapittels vervielen. In deze benarde omstandigheden vond de nuntius Della Genga geen steun. Ean nieuwe organisatie werd verijdeld door het Fransche hof en de altijd voortdurende gevangenschap des Pausen. Intusschen bemoeiden zich de protestantsche vorsten voortdurend met kerkehjke zaken, zoodat niet alleen het geseculariseerde vorstendom, maar ook het bisdom zelf onderworpen was aan de wereldlijke macht, en het bisschoppelijk gezag tengevolge der secularisatie zoo goed als vernietigd was.

Di 1803 waren de onderhandelingen aangeknoopt aangaande een algemeen Duitsch concordaat. Aan slagen kon echter, om den Josephistischen geest der vorsten, volstrekt niet worden gedacht. Wat later ontstond het Rijnverbond, waardoor zich zestien Duitsche vorsten aan den keizer onttrokken en Frankfort tot hoofdstad kozen, waarheen nu de primaat Dalberg zijn zetel verlegde. Den 6 Augustus 1806 deed keizer Frans II afstand van de Duitsche keizerskroon : het Duitsche rijk had opgehouden te bestaan. Wijl daarmee de mogelijkheid van een algemeen Duitsch concordaat was verdwenen, vatte Napoleon na den vrede van Tilsit (7 en 9 Juh 1807) het plan op, een concordaat voor het Rijnverbond te sluiten. De onderhandelingen begonnen te Parijs, maar werden weldra gestaakt. De aanmatigingen van Napoleon en vooral de verovering van den kerkelijken staat (1809) maakten een overeenkomst onmogehjk. Ook alle andere pogingen bleven zonder gevolg.

l) Dr. Heinrich Brück, Geschichte der katholischen Kirche in Deutschland im neunzehnten Jahrhundert, Mainz 1887, I B. Over de meening van kard. Pacca, zie diens Mémoires sur le Pontificat de Pie VII, II, 355 s. Schmitt, Staat und Kirche 1919.

Sluiten