Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

25

invoerrechten is onbegrensd. Treffen invoerrecht en accijns beide de consumptie, de accijns doet dit zuiverder dan het invoerrecht.

Invoerrechten zijn verschuldigd wegens het enkele feit van den invoer en wel zoo vaak als die plaats heeft (art. 4 Algemeene Wet 1822). Het in consumptie brengen wordt verondersteld. Zijn de goederen eenmaal in het vrije verkeer, dan laat de wet zich er niet meer mee in. Wil men c.q. heffing voorkomen, dan neme men doorvoerbepalingen in acht, sla de goederen op in entrepot, houde de goederen althans onder ambtelijk toezicht.

Accijnzen echter worden geheven wegens het verbruiken der goederen binnen het Rijk, zoodat zij den Staat feitelijk niet toekomen, indien dit verbruik onmogelijk is geworden. (Besl. in Belz. 843). Vandaar de bepaling van art. 282 Alg. Wet, welke kwijtschelding geeft bij te loor gaan van accijnsgoederen.

Ontwikkeld volgens art. 6 Stelselwet 1821 (verleening van restitutie en afschrijving bij uitvoer van accijnsgoed) komt dat beginsel ook op andere wijze tot uiting.

Wie de accijnsmiddelen van Gogel, die van 1821 en de later daarin aangebrachte wijzigingen (ik kom daarop na dezen terug) beschouwt, zal ontwaren, dat zij uitsluitend goederen betreffen, welke dienen, althans kunnen dienen, tot consumptie voor den mensch. Wie daarnaast de geldende accijnswetten raadpleegt zal zien, dat het inderdaad de bedoeling van den wetgever is, de consumptie van den mensch dier artikelen te belasten en nog wel die, welke door hem als privé persoon wordt gemaakt. Indien dit in verband met de techniek der wetgeving mogelijk is, geeft de wet, doorgaande op het spoor, dat in gebrekkigen vorm reeds onder de Republiek aanwezig was, vrijstelling voor verbruik in fabrieken, voor industrieele-, veeteelt-, landbouw- of wetenschappelijke doeleinden, des noods na denaturatie van het goed door bijvoeging van stoffen, welke het voor menschelijke consumptie ongeschikt maken. (Zie nader IX.)

Het Tarief der invoerrechten echter omvat allerlei goederen zoo voor gebruik als voor verbruik, zoo voor consumptie door den mensch, als op andere wijze (petroleum b.v.). Zoowel aan het mechanische kruideniers-tarief van 1924 (öp den basis van het toonbankartikel ingericht) als (meer nog) aan het vroegere, ligt echter eenige beperking ten grondslag; verschillende grondstoffen voor de industrie, werktuigen, gereedschappen enz. waren in verband met de eischen der industrie vrij.

Sluiten