Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

genot van premie, aangaan van verplichtingen van geldelijken of van anderen aard in verband met werkloosheid of met gebeurtenissen, waarvan het ontstaan of het tijdstip, waarop zij zullen voorkomen, onzeker is, en die den persoon van den mensch treffen, is niet geoorloofd. Alleen mogen vereenigingen van vóór en na de wet van 1855 wel zulk een bedrijf uitoefenen als zij het vermogen van het levensverzekeriitgbedrijf afgezonderd houden, welk vermogen voor de verbintenissen uit laatstgenoemd bedrijf bij voorrang verbonden is. Het combinatieverbod wordt van kracht binnen één jaar na het inwerkingtreden der wet. Binnen dien tijd moeten ook onderlinge maatschappijen zich reorganiseeren in den trant als thans is aangegeven in art. 13 der thans geldende wet. Bij gebreke van een en ander zal de rechtbank op verzoek van de Commissie de vereffening der onderneming bevelen.

Tenslotte zij nog meegedeeld, dat het ontwerp niet toepasselijk zou zijn: .

1°. op fondsen door het openbaar gezag ingesteld voor hen, die m dienst daarvan staan of gestaan hebben;

2°. op zgn. werkgeversfondsen;

3°. op vereenigingen, waarvan de leden zich slechts verbinden tot het storten van eene bijdrage, telkens wanneer een van hen overlijdt (zgn. omslagfondsen).

Het ontwerp der Staatscommissie-Molengraaff heeft evenmin als dat der Staatscommissie-Reesema tot het indienen van een Regeeringsontwerp geleid.

In 1910 bood de Vereeniging voor levensverzekering een ontwerp aan de Regeering aan. De beginselen daarvan zijn in het kort de volgende. Het bedrijf mag alleen uitgeoefend worden door naaml. vennootschappen en onderl. maatschappijen. De eerstgenoemde moeten een kapitaal hebben van 1 millioen, waarop 25 % gestort (voor volksverz.maatschappijen ƒ 100.000, als deze reeds bestaan nihil) de laatstgenoemde ƒ 500.000, (als zij sluit tegen vasté premiën 1 millioen) waarop gestort 25 % (voor volksverz.maatsch. ƒ 100.000). Voor bestaande onderlinge's bestaat geen kapitaalseisch. Bestaande naaml. vennootschappen moeten het genoemde kapitaal binnen 10 jaar geplaatst hebben. Bij gebreke staan zij van rechtswege onder voogdij.

Vóór den aanvang van het bedrijf heeft iedere onderneming ƒ 100.000 te storten bij de Verzekeringskamer (volksverz.ondernemingen ƒ 25000), welk kapitaal successievelijk gestort moet worden binnen 12 jaar na het inwerkingtreden der wet.

Als na het inwerkingtreden der wet blijkt, dat de rechtspersoon niet is eene naaml. vennootschap of niet behoorlijk als onderlinge maatschappij is georganiseerd, is de behartiging der belangen der verzekerden opgedragen aan de Verzekeringskamer, die een of meer bewindvoerders kan benoemen. Niet-onderlinge's moeten zich

Sluiten