Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

25

homologatie van een „règlement transactionnel", regeling, waarbij in verschillenden vorm uitstel wordt gegeven of de vorderingen verminderd worden) en niet in strijd met de goede zeden en publieke orde. Het vonnis van den Franschen rechter spreekt slechts het exequatur uit ten aanzien van de beschikking van den Nederlandschen rechter, waarbij de maatschappij onder de noodregeling werd geplaatst. Op grond van dit exequatur werd op 8 Maart 1922, vóórdat de Amsterdamsche rechtbank de verzekeringen, behoorende tot de Fransche portefeuille, krachtens art. 23 der Noodwet had gewijzigd, het verzoek van eene Fransche verzekerde tot faillietverklaring van de maatschappij door de tribunal de commerce de la Seine afgewezen. Uit het feit, dat het exequatur door den Franschen rechter werd verleend, mag zeker niet worden afgeleid, dat ook de beschikking van den Nederlandschen rechter, waarbij krachtens art. 23 der Noodwet (art. 61 der wet op het levensverzekeringbedrijf), de overeenkomsten gewijzigd zouden worden, zonder nader exequatur van die beschikking voor Frankrijk van kracht zou worden. Deze laatste beschikking heeft immers niet slechts eene voorloopig schorsende, maar eene definitieve werking.

In België werd bij beschikking van de tribunal de lère instance te Brussel dd. 31 October 1921 inzake een andere Nederlandsche maatschappij, op welke de Noodwet van 1921 was toegepast, beslist, dat het door de maatschappij gevraagde exequatur van de beschikking van den Nederlandschen rechter, waarbij de noodregeling op die maatschappij was toegepast, niet noodig was. Daarbij werd overwogen, dat eene rechterlijke beslissing betreffende het personeel statuut als den staat en de bevoegdheid van personen van kracht is in België onafhankelijk van elk exequatur, dat de Nederlansche wet blijkbaar ten doel heeft om voor 2 jaren uitstel van betaling te verleenen en dat ieder schuldeischer tegen de verlenging van dien termijn kan appelleeren, voorts, dat genoemd uitstel een direct gevolg is van het personeel statuut van de maatschappij, dat volgens art. 23 der Noodwet wijzigingen kunnen gebracht worden in de door de maatschappij gesloten overeenkomsten en dat zulk eene beschikking, in overeenstemming met het tusschen Frankrijk en België gesloten tractaat van 8 Juli 1899, volgens hetwelk een vonnis van faillietverklaring en een vonnis van homologatie van een akkoord, uitgesproken in het eene land, om van kracht te zijn in het andere land het exequatur in dat land moet hebben gekregen, zonder meer in België niet van kracht zou zijn. In denzelfden zin beslisten de tribunal de commerce te Brussel op 1 Juni 1922 in eene zaak van een verzekerde tegen de bovengenoemde Algemeene maatschappij van levensverzekering en lijfrente, dat de verzekerde slechts recht had op 40 % van de door hem gevraagde lijfrentetermijnen. Daarbij werd eveneens overwogen, dat de Nederlandsche Noodwet slechts ten doel heeft om aan levensver-

Sluiten