Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

57

Artikel 9.

niet tevens een ander bedrijf uitoefenden. Dit stelsel zou hebben meegebracht, dat alle bedrijven, die vóór het inwerkingtreden der wet in andere juridische vormen bv. in die van eene vereeniging of van eene stichting optraden, zich zouden moeten hullen in den vorm van eene naamlooze vennootschap of onderlinge maatschappij. In verband met den eisch van een bepaald maatschappelijk of waarborgkapitaal zou dit mede beteekend hebben de verdwijning van de hier te lande zoo talrijke plaatselijke begrafenisfondsen en ook van tal van fondsen, toebehoorende aan vereenigingen.

Het O.O. was minder radicaal. Wel werd ook vooropgesteld, dat het l.v. bedrijf slechts zou moeten worden uitgeoefend door naamlooze vennootschappen en onderlinge maatschappijen, voor welke de kapitaalseisch zou zijn ƒ 500.Q00.— (voor onderlinge maatschappijen, die haar bedrijf beperkten tot hare leden ƒ 250.000) Maar daarnaast waren overgangsbepalingen opgenomen, volgens welke voor bestaande naamlooze vennootschappen en onderlinge maatschappijen de kapitaalseisch tot de helft werd verminderd en bestaande natuurlijke en rechtspersonen, die het l.v. bedrijf uitoefenden, daarmede gedurende 3 jaren zouden mogen doorgaan en ook na dien tijd de loopende overeenkomsten zouden mogen afwikkelen. Ook bij zulk eene regeling zouden de voornaamste begrafenis- en andere fondsen op den duur moeten doodbloeden.

In het V. V. werd door zeer vele leden de wensch kenbaar gemaakt, dat voor bestaande instellingen, die het l.v. bedrijf uitoefenden in andere rechtsvormen zooals die van de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid van vóór het inwerkingtreden van het Wetboek van Koophandel, van eene stichting, van eene vereeniging krachtens de artt. 1690—1702 B. W. of de wet van 1855 of van eene coöperatieve vereeniging, de mogelijkheid zou worden geopend het bedrijf voort te zetten en dat voor bestaande instellingen de kapitaalseisch geheel zou vervallen. Aan dien wensch werd door de Regeering bij M. v. A. voldaan. Voor nieuwe naamlooze vennootschappen en onderlinge maatschappijen werd daarentegen de kapitaalseisch verhoogd tot 1 millioen gulden, doch de mogelijkheid opengelaten om bij alg. maatregel van bestuur voor bepaalde vennootschappen en maatschappijen geringere bedragen als kapitaalsminima voor te schrijven (zie art. 15). Ten aanzien van ééne soort van bedrijven bleef men evenwel onverbiddelijk op het standpunt staan, dat zij geene nieuwe overeenkomsten zouden mogen afsluiten, nl. die, welke gedreven werden door natuurlijke personen. De mogelijke vermenging van de bezittingen van het fonds met het overige vermogen van den eigenaar en de weinige zekerheid, die zulk een bedrijf biedt, wettigden die uitsluiting zeker volkomen.

2. 2de lid. mogen geen ander bedrijf uitoefenen.

In dit lid wordt alleen van naamlooze vennootschappen en onder-

Sluiten