Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

59

Artikel 9.

amendement werd door hem bij de behandeling ingetrokken (Hand. He Kamer, blz. 71—74).

Wanneer kunnen maatschappijen gezegd worden naast het levensverzekeringbedrijf een ander bedrijf uit te oefenen? Uit de voornoemde geschiedenis van het verbod is zeker af te leiden, dat naast het l.v.-bedrijf niet als bedrijf mogen gesloten overeenkomsten, als bedoeld in lid 2 van art. 2 (bv. ziekte-, invaliditeits- en ongevallenverzekeringen) met anderen dan met wie de overeenkomsten van levensverzekering zijn aangegaan. Maar mogen dergelijke overeenkomsten ook niet met bedoelde anderen worden afgewikkeld? Wel zegt art. 2, ten aanzien van het l.v. bedrijf, dat afwikkelen van overeenkomsten van levensverzekering als bedrijf is te beschouwen, maar daarmede is aan het begrip „bedrijf" eene uitbreidende beteekenis gegeven, die het in het algemeen niet heeft. Het laat zich evenwel denken, dat eene maatschappij, die het l.v. bedrijf uitoefent, daarnaast in zulk een omvang afzonderlijke ziekte-, invaliditeits- of ongevallenverzekeringen loopende heeft, dat wel degelijk naast het l.v. bedrijf afzonderlijke risico's van beteekenis worden geloopen, welke de wet heeft willen uitsluiten. In verband met de bedoeling van den wetgever om door het verbod van nevenbedrijven afzonderlijke risico's van eenig belang uit te sluiten, mag in zulk een geval zeker van een nevenbedrijf worden gesproken. In het algemeen kan men dus zeggen, dat voor de beantwoording van de vraag of een nevenbedrijf aanwezig is, met verschillende feitelijke omstandigheden moet worden rekening gehouden. Indien eene maatschappij op normale wijze beleggingen doet, loopt zij daarmede normale risico's, en kan zij niet gezegd worden daardoor een nevenbedrijf uit te oefenen. Indien zij die beleggingen evenwel doet in zeer eenzijdige richting, bv. door alle of een groot deel der aandeelen in een naamlooze vennootschap, die een ander bedrijf uitoefent, te koopen, door zich sterk te interesseeren bij hypotheken van bijzonderen aard of door haar grond- of huizenbezit op abnormale wijze uit te breiden, zal mogelijk moeten worden beslist, dat aanwezig is uitoefening van een nevenbedrijf. Men vergete overigens niet, dat afgescheiden van de vraag, of eene eenzijdige belegging zóó ver gaat, dat besloten moet worden tot de aanwezigheid van een nevenbedrijf, elk zich steken in abnormale risico's voor de Verzekeringskamer aanleiding kan wezen tot het geven van een advies overeenkomstig art. 24 der wet. (Zie daaromtrent de toelichting op art. 24).

Het V. V. (§ 6) hield omtrent dit onderwerp o.m. het volgende in: „Wordt derhalve het doel, waarmede het verbod van combinatie „van bedrijven in het tweede lid van art. 4 is opgenomen, slechts „zeer ten deele bereikt, (naar de meening van die leden, o.a. omdat toen nog toegelaten waren afzonderlijke ziekte-, invaliditeits- en

Sluiten