Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

65

Artikel 11.

oefening van haar bedrijf zouden kunnen doorgaan. Daarop werd door de Regeering in de Nota n.a.v.h. verslag geantwoord: „De „veronderstelling, dat in art. 78 bij de vermelding van „onderlinge „maatschappijen" alleen aan rechtspersonen is gedacht, is juist. „Onder „onderlinge maatschappijen" zijn echter niet te verstaan alle „bestaande fondsen en maatschappijen, welke zich in de praktijk „onderlinge begrafenisfondsen of onderlinge verzekeringmaatschappijen noemen, doch slechts de onderlinge maatschappijen in den „zin van het ontwerp, gelijk in art. 11 omschreven. Die laatste „onderlinge maatschappijen moeten ongetwijfeld als rechtspersonen „worden beschouwd door de wijze waarop zij zijn geconstitueerd, „waaruit blijkt dat een nieuw zedelijk lichaam in het leven is geroepen (te vergel. Hooge Raad 25 Maart 1898, Weekblad van het „Recht no. 7102). Wat zich in de praktijk een onderlinge noemt, „kan in wezen zijn de onderneming van een natuurlijk persoon. Alsdan is art. 81 toepasselijk, d.w.z. dat de onderneming op den duur „moet worden omgezet in een naamlooze vennootschap of onderlinge maatschappij in den zin van het ontwerp. Terecht, naar onder„geteekenden meenen, daar het juist een der beginselen der regeling „is, dat slechts rechtspersonen het levensverzekeringbedrijf uitoefepen. Ook kan bijv. een onderling begrafenisfonds zoodanig karakter „hebben, dat niet kan worden gesproken van een bedrijf (bijv. als „eenige familieleden elkaar over en weer verzekeren); alsdan is de „wettelijke regeling niet toepasselijk. Voor twijfelgevallen geeft „art. 10 eene voorziening."

Uit de begripsomschrijving van art. 11 volgt, dat vereischte voor eene nieuw op te richten onderlinge maatschappij, welke het l.v.bedrijf zal uitoefenen, is, dat het toetreden als lid op zich zelf medebrengt, dat men eene overeenkomst van levensverzekering met de maatschappij sluit. Als de statuten dit niet inhouden, zal dus door de Verzekeringskamer de verklaring van art. 18 niet aan de onderneming kunnen worden uitgereikt. Wel zullen de statuten kunnen inhouden, dat overeenkomsten van levensverzekering door de onderlinge maatschappij kunnen afgesloten worden met personen, die door het sluiten van die overeenkomsten geen lid, maar gewone contractanten worden (zie art. 13, 7°). Het ontwerp der Staatscommissie-Molengraaff had die mogelijkheid uitgesloten. De bedoelden zullen eene bevoorrechte positie gaan innemen, daar zij gewone crediteuren zijn, die bevredigd moeten worden vóórdat er sprake kan zijn van verdeeling der baten onder de leden (art. 1702 B. W.) en die zich in tegenstelling met de leden-verzekerden nimmer eene verandering van hunne overeenkomsten van de zijde der maatschappij behoeven te laten welgevallen. Om als rechtspersoon, uitoefenende het l.v.bedrijf te kunnen optreden, moet bij de oprichting der onderlinge maatschappij voorts voldaan zijn aan de

5

Sluiten