Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

72

Artikel 13.

eens den doorslag kunnen geven. Daartegenover staat, dat ook ten opzichte van saneringsmaatregelen in eigen boezem de Verzekeringskamer krachtens art. 24 adviezen kan geven.

Op een karakteristiek verschil van eene Sanierung door den rechter krachtens art. 61 der wet en die in eigen boezem moet hier gewezen worden. Bij de eerste kunnen aan de verzekerden nimmer meerdere verplichtingen worden opgelegd; m. a. w. de te betalen premiën mogen niet worden verhoogd. Dit kan wel geschieden bij de laatste. Overigens kan natuurlijk op zeer verschillende wijze de Sanierung uitgevoerd worden. Men kan behalve de premiën verhoogen of den termijn, gedurenden welken premie betaald moet worden, verlengen, ook de uitkeeringen verlagen. Ook zal men verschillende kategorieën van leden, bv. de ouderen en de jongeren, op verschillende wijzen kunnen behandelen, waarbij allerlei overwegingen in aanmerking kunnen komen. Uiteraard bestaat bij eene beslissing, die door de leden zelve, immers door de algemeene vergadering, genomen wordt eene grootere mate van vrijheid dan bij het nemen van eene beschikking door den rechter krachtens art. 61, bij welke beschikking wel is waar ook redelijkheid en billijkheid in aanmerking moeten worden genomen, maar toch rechtsbeginselen voorop moeten staan.

Volgens punt 5° van art. 13 moet eenigszins worden aangegeven op welke wijze de Sanierung kan geschieden. In details behoeft daarbij niet te worden getreden. Zoo zal men hiermee kunnen volstaan, dat de leden gedwongen kunnen worden in het tekort bij te dragen door verhooging der premiën of verlaging der uitkeeringen. Meerdere detailleering is niet ongeoorloofd maar gevaarlijk, omdat mogelijk later blijkt, dat men zich daarmee den pas voor eene betere reconstructie der verzekeringen heeft afgesneden.

Met het oog op het feit, dat ook bestaande maatschappijen, die willen doorwerken, onderworpen zijn aan art. 13, zullen ook die maatschappijen uitdrukkelijk in hare statuten zich over het in punt 5° genoemde moeten uitlaten. Aangenomen mag worden, dat nu de wetgever bij art. 78 voor het geval van doorwerken van bestaande onderlinge's aanpassing aan art. 13 heeft voorgeschreven, hij ook vrijheid heeft gelaten om als totnutoe niet uitdrukkelijk de mogelijkheid van bijdrage in een tekort door de leden in de statuten was vermeld, die mogelijkheid thans voor te schrijven. Heeft men eenmaal bij de aanpassing aan art. 13 in de statuten vastgelegd, dat de leden niet in het tekort zullen bijdragen, dan zal men later niet, tenzij met toestemming van alle leden, het tegendeel in de statuten mogen bepalen.

6°. Hier wordt niet gezegd aan wie door bestuurders rekening en verantwoording moet worden afgelegd. In de meeste gevallen zal men zeker bepalen, dat zulks geschiedt aan de algemeene ver-

Sluiten