Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

73

Artikel 13.

gadering van leden. Het lijkt echter niet uitgesloten, dat de statuten voorschrijven, dat rekening en verantwoording gedaan wordt aan commissarissen of aan een daartoe bijzonder benoemde commissie. De rekening en verantwoording moet worden afgelegd door de gezamenlijke bestuurders, niet bv. door den penningmeester alleen, zooals wel in sommige reglementen wordt voorgeschreven. Volgens art. 22 der wet moet het boekjaar loopen van den lsten Januari tot en met den 3lsten December.

7°. Hieruit volgt, dat nieuw op te richten onderlinge maatschappijen en onderlinge maatschappijen, die zich hebben aan te passen aan art. 13, uitdrukkelijk in hare statuten hebben mede te deelen, of zij al of niet overeenkomsten van levensverzekering met niet-leden sluiten. Is eenmaal de keuze gedaan, dan zal men de statuten niet meer in anderen zin kunnen wijzigen. In elk geval is het niet mogelijk, dat indien in de statuten bepaald is, dat niet overeenkomsten met derden worden gesloten, daarop later wordt teruggekomen. Het belang der leden kan immers meebrengen, dat niet, door het sluiten van overeenkomsten met niet-leden, preferenties in het leven worden geroepen. De wet wijkt wat betreft punt 7 af van het wetsontwerp van de Staatscommissie-Molengraaff, dat in art. 4 in de omschrijving van onderlinge maatschappijen of vereenigingen had opgenomen, dat alleen met leden overeenkomsten van levensverzekering mogen worden gesloten. Het is duidelijk, dat tegenover niet-leden, met wie overeenkomsten van l.v. worden gesloten, de maatschappij in eene geheel andere verhouding komt te staan dan tegenover hare leden en wel in de gewone verhouding van verzekeraar en verzekerde. De met hen gesloten overeenkomsten kunnen zonder den wil van den verzekerde niet gewijzigd worden en van eene verplichting tot bijdrage in eventueel tekorten, als waarvan in punt 5° van art. 13 de rede is, kan natuurlijk in het geheel geen sprake zijn. Die andere verhouding brengt ook mee, dat in geval van eene noodregeling van Hoofdstuk IV of van een faillissement de leden geene rechten kunnen doen gelden zoolang niet de niet-leden voor 100 % zijn voldaan. Is er een waarborgkapitaal, als bedoeld in punt 9° van art. 13 en art. 14, dan zal ook dit kapitaal geheel verbruikt moeten worden om den niet-leden hun volle pond te doen toekomen alvorens het mag worden aangewend ten behoeve van leden. Uit het vorengaande volgt, dat Hoofdstuk IV der wet op de maatschappij moet worden toegepast, als de rechten der niet-leden in het gedrang komen, ook als krachtens de statuten de mogelijkheid bestaat om de leden in een bestaand tekort te doen bijdragen.

Wat hiervoren van de onderlinge maatschappij is gezegd, is ook toepasselijk op coöperatieve vereenigingen en krachtens de wet van 1855 of het Burgerlijk Wetboek rechtspersoonlijkheid bezittende vereenigingen.

Sluiten