Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

76

Artikel 13.

losgelaten. Regeling van de rechten van houders van aandeelen in het waarborgkapitaal behoeft in de statuten alleen te geschieden voor zooveel betreft nieuw op te richten maatschappijen en bestaande maatschappijen, die reeds een waarborgkapitaal hebben en na de inwerkingtreding der wet willen doorgaan met het sluiten van overeenkomsten van levensverzekering.

De wet laat de maatschappij vrij in de regeling van de rechten van houders van aandeelen in het waarborgkapitaal. Bij die regeling kan echter niet ingegaan worden tegen de imperatieve voorschriften van art. 14, lid 1 en 2. Voorts mag die regeling uiteraard geene bepalingen inhouden, die met het wezen van zulk een waarborgkapitaal strijden. Er zal dus zeker niet mogen worden bepaald, dat bij de liquidatie houders van bedoelde aandeelen rechten kunnen doen gelden, vóórdat aan de verplichtingen der maatschappij jegens derden of jegens hare leden is voldaan. Het doel van het waarborgkapitaal is immers juist om een waarborg te scheppen voor het voldoen aan die verplichtingen. Wel zal men kunnen toestaan, dat onder zekere voorwaarden vóór de liquidatie op het waarborgkapitaal afgelost wordt. De M. v. A. behelsde hierover: „Het gewijzigde ontwerp kent voor bestaande ondernemingen geen wet„telijken kapitaalseisch. Overigens zij opgemerkt, dat een aan„vangskapitaal voor nieuw op te richten maatschappijen onmisbaar is. Wil één persoon dit kapitaal fourneeren, dan houdt hij alle ],aandeelen, anders zijn er meerdere aandeelhouders. Wel is er iets „voor te zeggen, dat met het karakter der onderlinge maatschappij „kwalijk vereenigbaar zijn blijvende aandeelhouders, die uiteraard „een deel van de winst voor zich zullen opeischen. Daarom is „thans in artikel '15, waarover hieronder meer, de gelegenheid „geopend onder omstandigheden aflossing van kapitaal mogelijk te „maken" en bij art. 15: „Bij den algemeenen maatregel kunnen „tevens voorwaarden worden gesteld, waaronder eene onderlinge „maatschappij tot aflossing van het waarborgkapitaal kan overgaan. Gedacht is als voornaamste voorwaarde: de toestemming „der Verzekeringskamer. Tot aflossing mag niet worden overgedaan, indien er niet voldoende extra-reserves zijn gevormd, welke „de functie van het kapitaal als waarborg kunnen vervangen."

De bedoelde voorwaarden zijn totnutoe nog niet bij algemeenen maatregel van bestuur vastgesteld. Ten aanzien van nieuw op te richten maatschappijen zullen dus, zoolang bedoelde voorwaarden nog niet zijn vastgesteld, geene aflossingen van het waarborgkapitaal mogen geschieden. Anders staat de zaak ten opzichte van bestaande onderlinge maatschappijen. Voor die maatschappijen gelden immers ingevolge art. 78 der wet niet de bij of krachtens de artt. 14, 1ste lid, 15 en 16 gestelde kapitaalseischen. De wet verbiedt dus niet, dat zij in hare statuten dergelijke aflossingen voor-

Sluiten