Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

78

Artikel 13.

rente betaald worden uit de jaarlijksche inkomsten (dus ook als er geen overschot is) en niet hooger zijn dan 4 % en mogen de gezamenlijke uitkeeringen (d.w.z. de vaste rente en het aandeel in de winst) 6 % van het gestorte gedeelte niet te boven gaan. Onze wet kent daaromtrent geene imperatieve voorschriften.

Geregeld zal tenslotte ook moeten worden, welk bedrag bij den aanvang moet worden gestort (art. 14 verbiedt uitgifte van aandeelen op naam, indien niet ten minste 10 % is gestort) en wie latere stortingen zal kunnen bevelen, voorts de wijze van overdracht der aandeelen (waarbij rekening is te houden met art. 14, 3e lid, slot).

10°. Statutenwijziging zal natuurlijk als regel voorbehouden moeten worden aan de algemeene vergadering, terwijl men het initiatief kan laten nemen door bestuurders, commissarissen of een bepaald aantal leden. Voorgeschreven kan worden de gewone, volstrekte meerderheid. Bekrachtiging door een referendum behoeft niet uitgesloten te zijn. Uiteraard zullen bij statutenwijziging verkregen rechten geëerbiedigd moeten worden en zal, indien er een waarborgkapitaal is, er ook voor gezorgd moeten worden, dat niet gehandeld wordt in strijd met de voorwaarden van de uitgifte daarvan.

Wat betreft de wijze, waarop een besluit tot ontbinding wordt genomen, ook dit besluit zal natuurlijk genomen moeten worden door de algemeene vergadering. Binden de bestaande statuten die vergadering daaromtrent aan een bepaalde voorwaarde bv. dat het ledenaantal tot een bepaald getal is gedaald, dan zal men zich daaraan hebben te houden, tenzij alle leden in de ontbinding toestemmen. Ook voor een besluit tot ontbinding zal men een versterkte meerderheid kunnen voorschrijven.

Wat aangaat de voorwaarden, waaronder een besluit tot ontbinding wordt genomen, dient rekening te worden gehouden met art. 1702 B. W., voorkomende in den Tienden Titel „Van zedelijke lichamen" van het Burgerlijk Wetboek. Eene onderlinge maatschappij is immers onder de hier bedoelde zedelijke lichamen te begrijpen. Bij de verdeeling der activa komen in de eerste plaats in aanmerking de gewone schuldeischers (niet-leden), daarna de leden en ten slotte de houders van aandeelen in het waarborgkapitaal. Bij de verdeeling onder de leden lijkt het meest rationeel om de voor ieder aanwezige reserve als maatstaf te nemen.. Indien de gewone schuldeischers niet ten volle betaald kunnen worden, zullen nagekomen moeten worden de voorschriften, waaraan onderworpen zijn de erfgenamen, die eene erfenis onder voorrecht van boedelbeschrijving hebben aanvaard, bij gebreke van welke nakoming de leden persoonlijk, elk voor het geheel aansprakelijk zijn voor de schulden der maatschappij.

Sluiten