Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

86

Artikel 17.

„niet den geldelijken toestand der betrokken onderneming; evenmin „brengt zij voor den Staat geldelijke aansprakelijkheid mede"). Uit het bovenstaande volgt, dat misleidend is, dat levensverzekeringmaatschappijen, die de verklaring van art. 18 hebben ontvangen; op hare prospectussen, polissen of brievenformulieren laten drukken: „goedgekeurd door de Verzekeringskamer". Zulks kan den indruk wekken, dat ook de finantieele toestand der maatschappij door de Verzekeringskamer is goedgekeurd. Alleen ten opzichte van na de inwerkingtreding der wet nieuw opgerichte maatschappijen kan men zeggen, dat de uitreiking der verklaring ook iets zegt omtrent den finantieelen toestand. Immers blijkt uit die uitreiking, dat het maatschappelijk of waarborgkapitaal ad één millioen gulden was geplaatst en dat 10% daarvan was gestort, en dat bij de afgifte der verklaring bedoeld kapitaal nog intact aanwezig was (waarbij dan natuurlijk aangenomen moet worden, dat op dat tijdstip de houders van de aandeelen in het kapitaal volledige waarborg opleverden voor eventueele latere stortingen op die aandeelen). Ten aanzien van de hier bedoelde verklaring hield de M. v. T. het volgende in: „Tegen dengeen, die het levensverzekeringbedrijf „uitoefent, zonder dat zijne onderneming voldoet aan de eischen, ,gesteld bij de artikelen 4 tot en met 12, is bij artikel 68 straf „bedreigd. Ten einde de naleving van deze bepalingen echter in nog „sterker mate te bevorderen, is in artikel 14 eene bepaling opgenomen, welke er tegen waakt, dat eene onderneming het bedrijf „aanvangt zonder aan de gestelde eischen te voldoen. Daar toch „is voorgeschreven, dat geene onderneming het levensverzekeringbedrijf uitoefent, tenzij zij in het bezit is van eene verklaring van ,de Verzekeringskamér, waaruit blijkt, dat stukken zijn overgelegd, „die bewijzen, dat aan de gestelde eischen is voldaan.

„Men verwarre deze verklaring niet met eene concessie. Zij heeft „geene andere bedoeling, dan het de justitie gemakkelijker te maken, „het plegen van eene overtreding vast te stellen. Wie zonder in het „bezit te zijn van eene verklaring het levensverzekeringbedrijf uitoefent, pleegt de overtreding, zelfs al voldoet hij overigens aan de „eischen der wet. Verder bewijs dan het ontbreken der verklaring „behoeft niet te worden geleverd. Het aanwezig zijn der verklaring „is echter niet voldoende om de onschuld te bewijzen. Wanneer „desalniettemin blijkt, dat aan de eischen niet is voldaan, is evenzeer „een strafbaar feit aanwezig.

„Dat de verklaring geene concessie is, blijkt reeds uit het bovenstaande. Bovendien betreft zij alleen het aanwezig zijn van zekere „in de wet vastgelegde eischen met betrekking tot de organisatie „der onderneming. De Verzekeringskamer gaat bij het verleenen „der verklaring uitsluitend hiermede te rade en verdiept zich „geenszins in de vraag, of zij zich met de wijze van uitoefenen van

Sluiten