Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

120'

Artikel 30.

(in casu dus de Verzekeringskamer) noodig acht, buiten 's Iands of in de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen verblijfhoudende personen als getuigen of deskundigen te hooren, zij van de vragen, waarop antwoord verlangd wordt, in geschrifte mededeeling kan doen aan het betrokken departement van algemeen bestuur, hetwelk de voldoening daaraan bevordert, wanneer het dat van Buitenlandsche Zaken betreft, door de tusschenkomst der diplomatieke of consulaire agenten, en, wanneer het dat van Koloniën betreft, door de betrokken koloniale regeeringen.

Kan een getuige of deskundige zich verschoonen met een beroep op de geheimhouding, waartoe hij verplicht zou zijn krachtens zijn stand, beroep of ambt of die hem opgelegd zou zijn door de onderneming, waarbij hij werkzaam is? Deze vraag moet ontkennend beantwoord worden. De verplichting om als getuige of deskundige te verschijnen en te antwoorden is eene verplichting om te spreken en op alles te antwoorden wat gevraagd wordt. Een bevoegdheid om ten aanzien van bepaalde punten niet te spreken en niet te antwoorden moet uitdrukkelijk toegekend worden. In dit geval is zulks niet geschied. De wetgever, de artt. 17 en 23 der genoemde wet toepasselijk verklarende, heeft blijkbaar opzettelijk niet vermeld de fusschenliggende artikelen 18—22, waarin onder meer sprake is van het verschooningsrecht van hen, die zouden moeten openbaren geheimen van eenig handwerk, bedrijf of nering, die door hen of de hunnen worden uitgeoefend (art. 18), van hen, die uit hoofde van hunnen stand, beroep of wettige betrekking tot geheimhouding verplicht zijn (art. 19), van hen, die zouden moeten openbaren gevoelens, door de leden van collegiën bij de behandeling van zaken ter vergadering geuit, en de deswege plaats gehad hebbende beraadslagingen (art. 20, lid 1), van burgerlijke ambte* naren en militairen, indien zij mochten beweren, dat de openbaarmaking in strijd zou zijn met het belang en de zekerheid van het Rijk, de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen (art. 20, lid 2).

Uit het voorgaande volgt, dat hij, die ingevolge art. 30 der wet op het levensverzekeringbedrijf als getuige of als deskundige spreken moet, niet gestraft kan worden krachtens art. 272 W. v. S. (hij die opzettelijk eenig geheim hetwelk hij, uit hoofde van zijn tegenwoordig hetzij vroeger ambt of beroep, verplicht is te bewaren, bekend maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste 6 maanden of geldboete van ten hoogste ƒ 600.—) of krachtens art. 273 W. v. S. (hij die opzettelijk aangaande eene onderneming van handel of nijverheid, bij welke hij werkzaam is of geweest is, bijzonderheden, waarvan hem geheimhouding is opgelegd, bekend maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van

Sluiten