Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

121

Artikel 30.

ten hoogste 6 maanden of geldboete van ten hoogste ƒ 600.—). Immers voor hem wordt de strafbaarheid opgeheven door art. 42 W. v. S., luidende: „Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter „uitvoering van een wettelijk voorschrift". Het wettelijk voorschrift in deze is art. 30 der wet op het levensverzekeringbedrijf.

De Verzekeringskamer is bevoegd den getuige of deskundige, mits deze den leeftijd van 15 jaren vervuld hebbe, den eed af te nemen, (zie wat den vorm, waarin eeden, beloften of bevestigingen moeten worden afgelegd, de wet van 17 Juli 1911, Stbl. no. 215). Van belang is hierbij, dat art. 2 der wet van 28 April 1916, Stbl.no. 174, bepaalt, dat een belofte öf bevestiging wordt afgelegd, indien de te beëedigen persoon verzoekt daartoe te worden toegelaten op grond, dat hij behoort tot eene godsdienstige gezindheid, welke hem het afleggen van eeden verbiedt, en art. 3 van die wet, dat de te beëedigen persoon mede wordt toegelaten den eed door de belofte of bevestiging te vervangen, indien hij schriftelijk verklaart tegen het afleggen van eeden, ook wanneer eenig wettelijk voorschrift dit vordert, onoverkomelijke bezwaren te hebben, ontleënd aan zijne opvatting omtrent den godsdienst (de schriftelijke verklaring vindt plaats door de onderteekening van eene akte, opgemaakt en mede onderteekend door dengene, in wiens handen de eed of de belofte of de bevestiging moet worden afgelegd; de akte is vrij van zegel, registratie en alle kosten; indien de te beëedigen persoon niet schrijven kan, wordt hiervan in de akte zelve melding gemaakt). Voor de strafbaarheid wegens meineed maakt het geen verschil, of de eed of de belofte is afgelegd (art. 207, lid 3, W. v. S.).

Tegen het in andere dan strafzaken door hem, die wettelijk als getuige of als deskundige opgeroepen, opzettelijk niet voldoen aan eenige wettelijke verplichting, die hij als zoodanig te vervullen heeft, is bij art. 192 W. v. S. gevangenisstraf bedreigd van ten hoogste 4 maanden.

Art. 30, lid 2, laat de wijze van oproeping aan de Verzekeringskamer over. De oproeping kan dus geschieden per brief, telefoon enz. Bepaalt de Verzekeringskamer, dat de oproeping door middel van dagvaarding zal geschieden, dan geeft het 3de lid de noodige regeling. Bij de invoeringswet van het nieuwe wetboek van strafvordering (wet van 29 Juni 1925, Stbl. no. 308) is echter vergeten dit artikel, dat nog naar art. 144 van het oude wetboek van strafvordering verwijst, te wijzigen.

Het tarief, bedoeld in het voorlaatste lid, krachtens hetwelk getuigen en deskundigen vergoeding kunnen ontvangen, is vastgesteld bij K. B. van 26 Februari 1903, Stbl. no. 80.

De vraag kan gesteld worden, of art. 30 ook toepasselijk is nadat eene maatschappij is gesteld onder de noodregeling van Hoofd-

Sluiten