Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

124

Artikel 34.

HOOFDSTUK UL Overdracht en samensmelting van ondernemingen. Artikel 34.

Overdracht door den verzekeraar van verbintenissen uit het levensverzekeringbedrijf aan eene andere onderneming kan slechts geschieden bij schriftelijke overeenkomst. Daarbij worden de volgende voorschriften in acht genomen.

1. Zie omtrent de geschiedenis van dit Hoofdstuk en de buitenlandsche regelingen de Inleiding § 4.

2. verzekeraar. Dit Hoofdstuk is alleen van toepassing op overdrachten van verbintenissen uit het l.v.-bedrijf door een verzekeraar d.w:z. door eene onderneming, die het l.v.-bedrijf uitoefent in den zin der Wet. Het is niet toepasselijk op overdrachten door ondernemingen, die niet het l.v.-bedrijf uitoefenen in den zin der wet bv. door buitenlandsche ondernemingen, die hier te lande uitsluitend het herverzekeringbedrijf uitoefenen (art. 7 der wet), door lichamen of ondernemingen, vallende onder art. 6, b en c der wet, of door instellingen of ondernemingen, die volgens de beslissing der Verzekeringskamer niet het l.v.-bedrijf uitoefenen, zij het ook, dat de overdracht geschiedt aan ondernemingen, die het l.v.-bedrijf wel uitoefenen. Daarentegen is voor de toepasselijkheid van dit Hoofdstuk geen vereischte, dat de overdracht geschiedt aan een „verzekeraar".

3. verbintenissen uit het levensverzekeringbedrijf. Moeten de bepalingen van dit Hoofdstuk ook in acht genomen worden bij overdracht door een verzekeraar van zijne in het buitenland en in de koloniën loopende verzekeringen en door een buitenlandschen verzekeraar bij overdracht van zijne verzekeringen hier te lande, ook indien deze krachtens de polisvoorwaarden beheerscht worden door het buitenlandsche recht? Ten einde deze vraag te kunnen beantwoorden dient men zich rekenschap te geven van de strekking van Hoofdstuk III. Volgens de Mem. v. Toel. is deze eenerzijds het overdragen of samenvoegen van ondernemingen te vergemakkelijken, anderzijds, dat bij overdracht en samenvoeging met de belangen der verzekerden voldoende rekening worde gehouden. Blijkbaar heeft men het vergemakkelijken daarin gezocht, dat in tegenstelling met vroeger, toen de overdracht slechts rechtskracht had tegenover den verzekerde, indien hij daarin had toegestemd (zie art. 1453 B. W.), die rechtskracht thans reeds verkregen wordt door de naleving van de bepalingen van Hoofdstuk III. Niet meer wordt voor die rechtskracht vereischt de goedkeuring van iederen polishouder, maar goedkeuring van de Verzekeringskamer en af-

Sluiten