Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

182

Artikel 78.

lid, 15 en 16 gestelde kapitaaleischen. Zonder te voldoen aan de overige eischen, bedoeld bij de artikelen 9, tweede lid, en 11 tot en met 16, en zonder in het bezit te zijn van eene verklaring, als bedoeld bij artikel 18, mogen zij gedurende twee jaren van af het oogenblik van het in werking treden dezer wet met de uitoefening van haar bedrijf voortgaan en ook na afloop van dien termijn hare loopende overeenkomsten afwikkelen.

Zoolang de naamlooze vennootschappen en onderlinge maatschappijen het levensverzekeringbedrijf uitoefenen, zonder In het bezit te Zijn van eene verklaring, als bedoeld bij artikel 18, het zij door overeenkomsten van levensverzekering te sluiten het zij alleen door loopende overeenkomsten af te wikkelen, en onverschillig of zij daarnaast een ander bedrijf uitoefenen, worden zij niettemin aangemerkt als verzekeraar in den zin van de artikelen 22 tot en met 28, 31, 32 en 34 tot en met 39.

De Verzekeringskamer is bevoegd den termijn van twee jaren met ten hoogste/ drie jaren te verlengen.

ii Eerste zinsnede van lid 1. Zie omtrent de kapitaalseischen, gesteld aan naamlooze vennootschappen en onderlinge maatschappijen, opgericht na het in werkingtreden der wet (op 15 November 1923) de toelichting op de artt. 15 en 16. Op 15 November 1923 bestaande naamlooze vennootschappen en onderlinge maatschappijen, die op dat tijdstip het levensverzekeringbedrijf uitoefenden, behoeven dus niet resp. een bepaald maatschappelijk of een waarborgkapitaal te hebben. Dit neemt evenwel natuurlijk niet weg, dat de Verzekeringskamer op grond van art. 24 aan op genoemd tijdstip bestaande naamlooze vennootschappen en onderlinge maatschappijen, indien hare toestand daartoe aanleiding geeft, het advies kan geven om het bestaande kapitaal te vergrooten of, wat betreft onderlinge maatschappijen, om een waarborgkapitaal in het leven te roepen (M. v. A. op de art. 78—81).

2. Tweede zinsnede van lid 1. Hieruit volgt, dat n.-v. en onderlinge maatschappijen, die op 15 November 1923 het l.v.-bedrijf uitoefenden, gedurende 2 jaren daarna (welke termijn door de Verzekeringskamer krachtens het 3de lid met ten hoogste 3 jarert verlengd kan worden) nieuwe overeenkomsten van levensverzekering kunnen afsluiten en ook na afloop van dien termijn kunnen blijven bestaan zonder nieuwe overeenkomsten van l.v. af te sluiten, zonder te hebben voldaan aan de eischen, gesteld bij art. 9, 2de lid, en bij de artt. 11 tot en met 16 en zonder in het bezit te zijn van de verklaring van art. 18. Maar hieruit volgt ook, dat n.v. en onderlinge maatschappijen, die het l.v. uitoefenden op 15 November 1923, na 15 November 1925 (of na een datum, die door de Verzekeringskamer uiterlijk gesteld kan worden op 15 November 1928) niet mogen doorgaan met het sluiten van nieuwe overeenkomsten van levensverzekering zonder voldaan te hebben aan de genoemde

Sluiten