Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

185

Artikel 79—80.

aanzien van rechtspersonen, andere dan naaml. vennootschappen en onderl. maatschappijen, moeilijkheden opleverde. Toen de Regeering bij de M. v. A. eiken kapitaalseisch ten aanzien van bestaande ondernemingen deed vervallen, had zij ook geen bezwaar meer om aan bestaande rechtspersonen, onverschillig welken rechtsvorm zij hadden aangenomen, het recht te geven nieuwe overeenkomsten te sluiten. Het niet stellen van kapitaalseischen ten aanzien van bestaande ondernemingen bij de wet sluit niet uit, dat de Verzekeringskamer aan bedoelde rechtspersonen, zoo hun finantieele toestand daartoe aanleiding geeft, krachtens art. 24 het advies kan geven om een waarborgkapitaal of andere waarborgen in het leven te roepen (M. v. A. op de artt. 78—81).

Uit de aanhaling van art. 39 in het 2de lid van art. 79 volgt, dat Hoofdstuk IV op de in het 2de lid bedoelde maatschappijen van toepassing is en dat, als het geval van art. 40 zich voordoet, de noodregeling over haar kan worden uitgesproken.

Artikel 80.

In het buitenland gevestigde rechtspersonen, welke op het oogenblik van het in werking treden dezer wet het levensverzekeringbedrijf uitoefenen, behoeven, in afwijking van het bepaalde bij artikel 19, niet te voldoen aan soortgelijke eischen als bij of krachtens de artikelen 15 en 16 gesteld. Zonder in het bezit te zijn van eene verklaring, als bedoeld bij artikel 18, mogen zij gedurende twee jaren van af het oogenblik van het in werking treden dezer wet met de uitoefening van hun bedrijf voortgaan en ook na afloop van dien termijn de loopende overeenkomsten afwikkelen.

Zoolang de in het vorige lid bedoelde personen het levensverzekeringbedrijf uitoefenen, zonder in het bezit te zijn van eene verklaring, als bedoeld bij artikel 18, hetzij door overeenkomsten van levensverzekering te sluiten, hetzij alleen door loopende overeenkomsten af te wikkelen, en onverschillig of zij daarnaast een ander bedrijf uitoefenen, worden zij niettemin aangemerkt als verzekeraar in den zbi van de artikelen 22 tot en met 28, 31, 32 en 34 tot en met 38. De voorschriften, ten aanzien van deze personen krachtens artikel 29 gegeven, worden in acht genomen.

De Verzekeringskamer is bevoegd den termijn van twee jaren met ten hoogste drie jaren te verlengen.

Dit artikel heeft alleen betrekking op in het buitenland gevestigde (waaronder krachtens art. 4 ook zijn te verstaan de in de koloniën gevestigde) rechtspersonen, die op 15 November 1923 het levensverzekeringbedrijf uitoefenden „hier te lande", hoewel deze laatste 3 woorden niet in den aanhef van art. 80 voorkomen. Dit blijkt ook uit eene uitlating van de Regeering bij de M. v. A. (artt. 78 81)

Sluiten