Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

176

LIEFDESBRIEVEN

toch flauw en week en kinderachtig, om zoo dikwijls zoo te klagen, - te klagen over niets, maar ik kan 't heusch niet helpen, Lief! Ik kan en wil 't immers aan niemand anders zeggen, - jij bent de eenige, aan wien ik 't toonen mag, - want al de anderen zouden me met begrijpen, of, waar ik zoo bang voor ben, denken, dat ik niet gelukkig was. Er wordt toch al veel te veel over mijn bleekheid en slecht-uitzien gepraat. En nu ik weet, dat 't niet zoo is, kan ik 't je wel zeggen, Lief, ik heb óók werkehjk gedacht, dat ik ziek worden zou. Want ik begreep niet, dat dat matte, bedroefde, lusteloosonverscbilhge gevoel zóó lang aanhouden kon, als 't niet in 't physieke een oorzaak had. Maar ik ben heelemaal gezond gebleven en 'tis dus een geestelijk leed, een zieleverdriet, dat me zoo slap en zwak en onveerkrachtig maakt. En ik geloof, dat 't dit is: ik heb niets te doen, en de lust ontbreekt me totaal, om iets aan te vatten, om me ergens voor te interesseeren zelfs. Dat zal natuurlijk wel weer komen, maar op 't oogenbhk is 't toch heel vervelend, 't maakt me huilerig en stil, en doet me nare brieven schrijven aan jou. Arme Lief!

Nu ga ik toch nog een beetje hef tegen je zijn, hefste, eenige Schat, beste, goede Lief, mijn Lief, - dacht je heusch, dat 't me moeilijk viel te zeggen, dat je mijn snoes ben? Dat ben je, en nog véél meer, waarvoor ik de namen in mijn hoofd heb, maar waar je erg om lachen zou als ik ze zei. O, Lief, ik houd toch zoo van je! zoo innig, zoo ontzettend en onuitsprekelijk veel. O, als ik jou niet had, wat werd er dan van mij? Waar zou ik wezen, nü, als jij me niet had gered? Want „de wereld is mooi als men hefheeft", nietwaar, en het leven is goed en rijk en veel-belovend en levenswaard, wanneer men niet meer staat heel-alleen. O, Lief, ik wou, dat ik je een bewijs geven kon, een onomstootehjk en jou 't geloof gevend bewijs, dat ik je liefheb, diep en innig en waarachtig, jou alleen en voor mijn heele leven, - o, Lief, ik zweer je, als jij het wilde, dat ik mijn werk dan prijs-geven zou, en daarvan, daardoor heb ik toch geleefd, al de jaren, dat ik alleen bestond voor mijzelf. En ik zeg dit niet, omdat ik wel weet, dat jij dit nooit zal eischen, omdat ie juist daarom van me houdt, maar omdat ik 't heilig en oprecht meen, en dit 't hoogste, 't waardevolste is, wat ik bezit, en dat ik daarom jou offeren wil. O, ik wou, dat je me in mijn oogen kon zien, dat je de twijfellooze waarheid begreep, dat je in je diepste ziel voelde, hoe écht mijn bedoeling is. Geloof je me, geloof je me,

Sluiten