Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE PERIODE

189

je, vast. Het komt ook veel, omdat ik maat aldoor zit niets te doen; daarom zal ik vanmiddag eens uitgaan, en dan een abonnement nemen op de bibliotheek, om overstelpend-veel te kunnen lezen, rijp en groen, door elkaar, als het mijn denken maar overheerscht. Ook zal ik dan een bezoek aan den heer Veenstra gaan brengen.

O, Lief, weet je, wat ik nu zoo heel duidelijk voel? Dat je, vóór mijn logeeren in Bussum eigenlijk alleen een abstractie voor me was. En als wij elkaar nu eens nooit meer zagen (en toch geëngageerd bleven, als die toestand bestaanbaar was) dan zou je dat wéér voor me worden, dat voel ik. Ik zou mij wel in den toestand blijven indenken en je altijd alles zeggen, maar ik zou toch niet zoozeer spreken tot den werkelijken mensch, als wel tot een beeld van mijn pnantasie, en ik zou me daar niet eens bewust van zijn, net zoo min, als ik dat vroeger was. Maar ik merk het nu zoo sterk, omdat ik weer, net als in 't heel-eerste begin, je uitsluitend over mezelf aan 't schrijven ben, alsof 't geen correspondentie tusschen levende menschen is maar een briefwisseling uit een verhaal. Begrijp je me, Lief? Of ben ik duister?

Ik vind 't heerlijk, dat je door de lieve, vriendelijke hulp van Hein, weer ten deele uit de moeilijkheden ben, en ook, dat je verder zoo'n prettigen, gezelligen dag hebt gehad, dat heeft je tenminste tijdelijk een beetje aan je zorgen onttrokken, hè, Lief? O, ik wou toch zoó graag, dat ik je eens ernstig ergens aan helpen kon, maar ik sta in de verte en ben machteloos!

En nu je vraag over het Spiritisme. Er is een tijd geweest, dat ik er me vreeselijk voor interesseerde, allerlei werken las op dat gebied en zelfs een spiritistisch tijdschrift, maar 't greep me te veel aan, ik kon 't niet meer uithouden op 't laatst, en eindigde er mee. Maar jij bent natuurlijk geestelijk veef sterker dan ik, en onder goede leiding zou ik er waarschijnlijk ook beter tegen kunnen, dan toen ik aan mijn eigen oordeel overgelaten was. Denk je dat ook niet, Lief?

Ach, Wülem, zeg toch nooit, dat je eigenlijk, wat je hindert, voor me verzwijgen moet. Het is waar, ik heb je heelemaal geen moed ingesproken of je opgebeurd, en ben zelf integendeel lamentabele brieven aan je gaan schrijven, maar daar moet je maar niet boos of bedroefd om zijn, Liefste, zal je niet? Ik beloof je, dat ik me niet meer zoo erg door mijn stemmingen zal laten beïnvloeden, als ze weer eens komen, - wat de hemel verhoede!

Sluiten