Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZIO

LIEFDESBRIEVEN

Ik kan en mag óók niet meer beschikken over mijn eigen leven en dood. Maar wat kan mij dat schelen? Ik heb de hefde, en die houdt mij in 't leven, zoolang ik die hefde, de groote en goede, in mij voel. De hefde bezielt al mijn woorden en daden en gedachten, die met jou in betrekking staan, en daardoor ook nog een beetje al de andere, die niet direct met jou te maken hebben. Wat kan mij dan eigenlijk au fond de kwestie schelen, of ik niet meer vrij ben in den vroegeren zin des woords? Is dan dat dilemma, waarvoor je staat, niet een beetje een koel gedachten-dilemma, veroorzaakt doordat ik zoo ver van je weg ben, en je mij niet meer zóó levend voelt, als in die heerhjke vijf weken, dat je mèt mij was?

Zeg mij toch, ja, dat smeek ik je, welken indruk deze brief op je nalaat. Het is geen berekend gedachten-werk: hij kwam zoo in mij op, toen ik de jouwe gelezen had. Eerst wou het er niet goed bij mij uitkomen. Maar nu staat het er toch, goddank!

Jouw eigen

Wülem

* *

Lieve, beste Wülem, Vandaag heb ik vijf brieven van je ontvangen, maar gisteren maar één; er waren drie brieven tegelijk van je vanmorgen, van drie, vijf en acht uur. Wat spijt 't me, dat die zaak nog altijd niet in orde is, wat zal dat je vermoeien en agiteeren! Ach, Lief, ik wou, dat ik je echt wat troost kon geven, wat opbeuring en wat moed, en ik doe niets anders dan je hinderen en lastig vaüen met bepeinzingen over mijzelf! Maar ik kan 't heusch niet helpen, ik kom er zoo vanzelf toe, alles aan jou te klagen, en bij jou te komen om steun.

O, Lief! aües wat je zegt, is zoo begrijpelijk voor me en zoo heerlijk helder en zoo dóór-dringend tot mijn diepste Zelf! Er is nooit iemand geweest, die zóó tot me gesproken heeft, in zóó klare woorden, die voortkwamen uit 't diepst van zijn ziel! En ik ben er je zoo dankbaar voor. Want al meer en meer valt aUe terughouding van me weg, en ik toon mij aan je, geheel, zooals niemand weet dat ik ben, dan ik zelf heel-aüeen en dat nog maar half-bewust.

O, Lief, je zegt, dat ik reflectief-gevoehg ben, - is dat de onvolkomenheid, die ik wéét, dat in me bestaat, en waar ik al zóó

Sluiten