Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

336

LIEFDESBRIEVEN

gisteren, die te lusteloos was en te bedroefd om iets te doen, en 's middags naar bed ging, omdat zij „hoofdpijn" had, - eigenlijk, omdat zij onmogelijk visite-praatjes had kunnen houden. O, Willem, je hebt wel een Beetje droefheid om me gehad, maar ik kan er toch geen spijt van hebben, dat ik je zóó heb geschreven. Want je zegt me allemaal dingen, die ik voel dat waar zijn, maar die ik mezelf niet zoo bewust had kunnen maken. O, je hebt volkomen gelijk, dat ik mij altijd met mijzelf-alleen bezig houd, en ik weet ook heel goed, dat ik dat niet moest doen, - maar, o, Lief, mijn heele leven lang, zoo oud als ik ben, heb ik aldoor, aldoor maar aan mezelf zitten denken, mijzelf overpeinsd. En daarom, Lief, - ik zou 't wel heel graag willen! - kan'ik die gewoonte niet dadelijk afwennen. Maar ik verzeker je, dat 't beter worden zal, ik verzeker 't je, als jij me maar helpen wilt, Lief, en dat wil je, is 't niet? - mijn zelfzucht te overwinnen.

Je spreekt van lectuur, maar het vertalen van Walden zal me meer en beter helpen dan alle mogelijke lectuur, want het doel is zoo heerlijk, dat het werken allerprettigst zal zijn.

Dag, goede, eenige Lief. O, ik ben toch zoo goddelijk blij met je brieven!

Met innig-je-in-je-oogen-zien en dankbare zoenen,

voor altijd en altijd jouw eigen Jeanne

Bussum, Parkzicht 3 Juli '99

Goede Liefste,

Vanmorgen ontving ik je twee brieven, die je Zondag schreef. Ik heb toen mijn brief van gisteren, dien ik al dicht-gelakt en bepostzegeld had, toch maar weg-gebracht, maar ga je nu dadelijk een nieuwe schrijven als antwoord op de jouwe. Eerst over je laatste; die heeft mij ontroerd tot in mijn diepste binnenst, niet alleen om wat je zegt, maar omdat ik den moed er door heb gekregen, om ook tegen jou heelemaal open-uit te zijn. Want ik ben een beetje als jij: wat binnen-in mij leeft, dat uit ik niet zoo licht; ik weet niet waardoor; tusschenbeiden kan het er wel opeens

Sluiten