Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE PERIODE

(12 Juk' 1899—3 Augustus 1899)

O, Willem, Liefste! Ik ben nmg heelemaal onder den heerlijken indruk van de laatste dagen! Ik kan je niet zeggen, boe onuitsprekehjk-dankbaar ik je ben, dat je bent gekomen. O, Wülem, heusch, het was juist het goede oogenblik, want ik was wel wat over de melancholie van een poosje geleden heen, maar toch geloof ik niet, dat ik genoeg innerhjke kracht bezat, om mij er aldoor boven te houden. Maar nu ben jij gekomen, en hebt me weer sterk genoeg gemaakt, om mijn gedachten te bedwingen, en dat vind ik zóó heerhjk! 't Waren zulke éénig-prettige dagen, waren 't niet? Ik ben zoo bhj, dat ik weer eens met je heb kunnen spreken, en dat daardoor allerlei dingen opgehelderd zijn en ik ze anders in ga zien, wat door schrijven-aUeen niet mogelijk zou zijn geweest. Ik vond 't een zaligheid, dat je er was, Wülem! 't Zou natuurhjk altijd heerhjk zijn geweest, maar nu was 't zoo bizonder, zoo buitengewoon, omdat ik juist in mijzelf zoo'n droevigen tijd had gehad. AUes kwam toch ook wel nrettie- bii elkaar vnnH i*» ** \Y/oo

zulk heeriijk weer, we waren heelemaal vrij, en jij kon nog een dag langer blijven! O, vond jij óók niet, dat alles heerhjk was? Ik ben ook zoo bhj met je verzen, Lief! Ik vind 't zoo heerhjk, ze telkens en telkens weer over te lezen, vooral ook het laatste, dat je me gisteren gaf. Ik denk, dat ik Maandag mijn bundel aan Veenstra ga brengen, tenminste als Üc dan klaar ben met verzen copieeren. Dan kan ik daarna al mijn tijd aan Walden geven; het duurt wel lang, eer ik het boek terug-krijg. Ik gaf het hem voor het vertalingsrecht, maar in het reglement, dat je meebracht, stond immers, dat de boeken na twee dagen worden terug-gezonden? Heb je nog iets van het onweer gemerkt, Lief? Het begon, kort

Sluiten