Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE PERIODE

379

een beetje droog hebt gevonden, een beetje kalm-zielig, een beetje banaal-bedaard. Maar inwendig ben ik niet zoo, nooit zoo tegen jou. O, als wij maar eens met zijn beiden waren, in een groot, groen bosch, waar geen sterfling nog kwam. Ik zou voor je gaan liggen, rechtuit op het mos, en ik zou je toeroepen met teedere stem: Jeanne, Lief, bewijs mij die ééne genade, ga over mij loopen, ga over mij dansen, iedere aanraking van je, ook de pijnlijkste, ook de vernielendste zal mij een hooge zaligheid zijn. Jij alleen bestaat, jij bent het, jij blijft het, en geen enkle andre is het ooit geweest nog, en geen enkle andre zal het ooit zijn. O, Jeanne, kan ik je dan niet het vaste gevoel geven en de, zoo ik hoop, je voor-goed gelukkig makende overttuging, dat ik alles van je liefheb, alles zonder uitzondering, dat ik je Hef heb, geheel zooals je bent, en dat mijn gevoel voor je eeuwig zal duren, omdat jij jij bent, omdat jij bent naar ziel en lichaam tot in de kleinste dingen, precies zooals de vrouw moet wezen, waar ik voor neer kan vallen in verrukking, waar ik mij aan overgeef in hartstochteHjke vereering in een eindloos-devoot gebed. Jeanne, je moogt mij vermoorden, je moogt me vernietigen, als ik maar weet, dat je 't dan uitgilt van vreugd. Jeanne, Jeanne! ik val je gelukkig maken; je kunt het niet zoo gek bedenken, of ik heb het voor je over, voor jou, aüergenadigste, heb ik het over, voor jou, voor jou, absoluut-alleen. Ik ga nu naar bed, - o, mocht ik van je droomen! - Weet, dat er een mensch is, een man, die volkomen weet, wat hij zegt, en die jou meer dan zichzelf respecteert. Innig kust je jouw slaaf

WÜlem

* *

O, Liefste, Liefste! Wat heb je me goddeHjk-gelukkig gemaakt met je brief, dien je gisteravond nog geschreven hebt. Want o, ik vind het zoo verrukkend te hooren, dat jij 't óók heerhjk hebt gevonden in dien tijd, want voor mij waren 't zaHge dagen. Wülem, ik zeg je nog eens, dat ik je onuitsprekeHjk-diep dankbaar ben, dat je bent gekomen. Want ik voel 't nu beter en meer dan ooit, dat je van me houdt; ja, ik voel het; ik begrijp het, ik gelóóf je nu, - ik vertrouw je, Wülem! absoluut en voor altijd vertrouw ik je, en nooit meer zal er door mijn eigen gedachten twijfel in mij kunnen ontstaan. O, WÜlem, begrijp je niet, hoe het me zalig maakt, dat

Sluiten