Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE PERIODE

477

een kwellende angst voor het leven, dat ontorschbaar zwaar ons verloomend op de leden ligt. Maar nu is 't weer zoo goed als over, - alleen datyy 'tzei, die mij altijd weet steun te geven en op te beuren, dat heeft me zoo diep getroffen, Lief. Ach, ik wou, dat je hier was, dan zou ik je zeggen, heel-teeder maar vast, dat ik je liefheb, - diep en onuitsprekelijk hef, - dat ik je noodig heb om voort te kunnen leven, en dat je me gelukkig maakt, zóó heerlijk gelukkig, als ik niet dacht, dat ik ooit op aarde zou zijn. En dan zou ik }e vragen, met mijn armen zacht om je hals, of dat jou óók niet een beetje stil geluk kon geven: het zeker besef, dat je mijn leven zóó mooi hebt gemaakt, het zóó vergelukkigd hebt. Ach, Lief, zeg me, vind je 't prettig, dat ik van je houd, dat ik zóó van je houd als ik doe?

Je moet nu niet denken, Liefste, dat ik triest ben of zoo, want dat is zoo niet. 't Was van jou misschien een oogenbhkkehjke stemming, die nu ook plotseling op mij is overgegaan. Maar als jij me morgen weer wat luchtiger schrijft, word ik ook weer zoo.

Ik wou, dat ik geregeld aan 't vertalen kon blijven, dan zou ik er hoe langer hoe meer in komen, maar ik moet er telkens andere dingen tusschendoor doen. Allerlei brieven schrijven, en, zooals vandaag, die dingen voor De Hofstad, en dan moet ik plotseling weer een „ahernoodzakehjkste" visite gaan brengen aan mijn tante van Valkenburg-Baart de la Faille, die in den Haag op de Koninginnegracht is gelogeerd. Maar ik neem ieder oogenblik waar, en zoo zuüen we er wel komen!

O, ja, Lief, als je hier woont, zal ik je toch eens voor de aardigheid een boek laten zien, dat üc op mijn zeventiende jaar begonnen ben, maar nooit heb afgemaakt: Het Boek van den Weemoed heet het, en het begint: „Maria Dolorata, dus is mijn naam, en mij gewerd, wat deze mij voorbeschikte." Hierdoor kan je al zoo'n beetje merken, van welk genre het is, - ach, ik moet er nu wel een beetje om lachen, maar ik heb toch eigenhjk medelijden met mezelf, omdat het zoo aandoenlijk is, dat ik, nog zóó jong, al zoo treurig dacht. Je zal zeggen: „dat is juist aan jonge menschen eigen, - maar üc zou ook geen medelijden met mezelf hebben, als het later was overgegaan, in plaats van veel erger geworden. Dat boek dan zou in drie ondet-afdeelingen worden gesplitst: Melancholie - Waanzin - Resignatie.

En dan zal ik je ook wat van mijn toenmalige dagboeken voor-

Sluiten