Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE PERIODE

603

200 diep de waarheid van wat je 2ei: in harmonie ligt rust» En die harmonie, dat prachtige levensdoel, die 2al ik door jou, met jou bereiken, o, Lief, nietwaar?

Je vraagt, of ik geloof, dat je van me houdt, - o, ja, Lief, ik geloof het, - ik moet het gelooven, omdat jij het zegt, en omdat ik het 200 heel graag gelooven wil. Tot vanavond, mijn Liefste, mijn éénige Lief!

Met een heel-innigen 2oen

jouw eigen Jean

* *

O, ik voel me nu opeens weer 200 vroohjk, 200 bhj, 200 opgewekt, 200 juichend-gelukkig, Lief! O, en dat komt vooral door dien verrukkehjken brief van jou van gisteravond, die me 200 juist wordt gebracht. O, Lief! o, heve, heve Lief, - toe, ik vraag 't je 200 heel vriendelijk, zoo heel-dringend, Lief, - toe, vergeef me dien brief van vanmorgen maar. Heusch, o, Allerliefste, 2ulke dingen moet je van mij nooit hoog opnemen, je kent nu eenmaal die hebbelijkheid van me, dat ik vreesehjk gauw klaag en vreeselijk overdrijf, - o, arme, lieve Lief, je 2al er wel niets van begrepen hebben; o, ik hoop 200, dat mijn spoedbrief, dien ik na2ond, met veel later komt. O, Lief, heusch, ik schaam me zoo, - o, ik kan voor mijn haast en overijling aheen de verontschul(hging vinden, dat jouw brieven me 200 onuitsprekelijk hef rijn, Lief, dat ik er niet buiten 2ou kunnen, omdat 2e mijn kracht-gevers, mijn bemoedigers, mijn levensvreugde 2ijn. Toe, Lief, 2eg, is ahes nu weer goed, 2al je er nu heusch met langer aan denken, heusch niet, Lief?

O, die brief 2ooeven van je! Ik heb hem ge2oend van verrukking omdat je 2egt, dat je van me houdt, en dat je in mijn hefde gelooft; ik werd er diep-vreugdig door aangedaan, ik moest er om lachen, o, ahes tegelijk! O, Lief, jij bent de hefste, hefste, liefste van de heele wereld, Lief! O, die „literaire luitenant," die gaat niet meer uit je herinnering, geloof ik. O, en dan die verrassing van me, als Philippus Wülem blijkt te rijn, en ik me op zóó naïeve wij2e verraden heb! O, lief, als je eens wist, hoe dankbaar üc er je voor ben, als je me lachen laat! O, ik moest schateren om dat verbeelde 2eggen van mij: „Ik ben een 2edige jonge dame, waarop dan tot „bewijs'" volgde: Ik 20'en aüeen maar mijn drukker en mijn Mama." Neen, niet mijn drukker, maar den postbode heb ik wel eens lust te omheken, als hij recht-

Sluiten