Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZESDE PERIODE

701

Bussum, Parkzicht 7 Sept. '99

Ahergoddehjkste Jean,

Ik moet je iets zeggen, iets ernstigs, en waars, wat ik niet langer kan verzwijgen. Ik verlang naar je, ik verlang naar je, ik verlang naar je! Het is mij of ik zit te wachten in een station, op den trein, die nadert, en die mi] heen zal voeren naar verre, mooie landen, weg uit het alledaagsche gedoe. Het is elf uur 's morgens, - o, nog dertig uur! Ook die zullen omkomen, ik weet het, gelukkig! en dan zal ik zacht mijn arm om je mogen heenslaan, en je zien in je oogen, en je zeggen, dat ik je hefheb, eindloos, voor-goed! Lief! Lieff Lief! jü bent „het" Lief en jij-alleen! O, zie me in mijn oogen, met lieflachend gelaat, en voel als een zachte elektrische onmding door je heele Wezen heen-gaan, de eindelooze diepte van mijn hefde. O, Jean, voel jij ook, wat hefde is? Ja, je voelt het, je voelt het, ik merk het aan alles, wat je doet en zegt! De hefde is de storm, die breed-ruischend vaart, onhoorbaar, onzichtbaar voor andere menschen, maar hefhjk-geweldig door ons heele leven, ons heele Zijn. O, mocht ik maar de bloesems mijner hefde, mijn kussen, zacht strooien op je handen, je heerhjke handen, die nu voortaan altijd bij mij zullen zijn, op wier fijn-dooraderd wit ik zal mogen staren met hevende blikken, zonder mijn oogen ooit af te wenden, tot het mij is, of het leven zich daarin vereeuwigt, of het zich daarin aetherisch concentreert. Jean, o, Jean, voel jij oók wat hefde is? Ik zal nu niet over mij zelf gaan renekteeren en zeggen, heel nuchter, dat ik niets ben dan een lange slungel van een onhandigen jongen, want ik voel, dat je mij hefhebt om mijn innerlijk Zijn, en dat je dat ziet door mijn uiterlijk heen, en dat je hier daarom genoegen mee neemt. O, de inwendige zachte kracht, die ik voel opbruisen van uit mijn ziel, en die voor je neervalt, voor jou om te gebruiken voor je eigen geluk. Jean, heve Jean, je was een eenling in het leven door je bijzonderheid, je superieure, unieke bijzonderheid, maar dat ben je nu niet meer. Want ik zal je helpen en troosten en steunen, ik zal je bezaligen, ik zal je doen lachen, ik zal je verrukken door de teerheid mijner hefde, door mijn gevoelige kracht. O, ik voel zoo, wat je in 't algemeen tegen mannen hebt, dat ze bruut zijn en ruw en absoluutegoïst, dat ze pronken met een kracht, waar jij, dat voel je, desnoods toch wel tegen-op zou kunnen, zij 't dan ook niet in spierkracht des

Sluiten