Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZESDE PERIODE

703

gevoeld, zooals dat nü aldoor is, aldoor, wanneer jij, Lief, niet bij me bent! O, ik heb je hef, eeuwig, onvergankelijk heb ik je hef, ik heb jou hef, jou, jou, je bent mijn Ahes, en zonder jou kan ik niets. Tij bent mijn absoluut, uitsluitend, volstrekt eenig Lief, erjis niets belangrijks, niets hoogs, niets waardevols buiten jou, - jij bent het, voor wien ik leef, aan wiens geluk ik arbeiden wü! O, zoo iets teeders voel ik voor je, zoo iets innig-teeders en stils, - ik wou mijn handen leggen om je hoofd, en je in je oogen staren, totdat ik daarin zag: geluk, - geluk, dat ik je gaf!

O, mijn Liefste, mijn Lief, Ik heb je volmaakt, volkomen hef, voor altijd en altijd, zonder grens, zonder maat en zonder voorbehoud; mijn hefde is eeuwig-durend, standvastig en sterk, onaantastbaar, - geluk-gevend rnijzèlf, en zoo ik hoop, Wüly, ook jou. (O, is dat zoo, Lief?)

Ik ben vanmiddag bij Veenstfa geweest; ik zal er je mondeling ahes van vertellen. En toen ik thuis kwam, is Koster gekomen (Edward B.) dien Ma en ik samen ontvangen nebben, beneden in de eetkamer, want de salon was voor onze afwezigheid al heelemaal overdekt. Hij heeft me „Natuur-indrukken en -stemmingen" en „Niobe" gebracht. Hoe vriendelijk, hè? voor een eerste kennismaking! Moet ik misschien de trait d'union zijn tusschen hem en den Nieuwe Gids-redacteur?...

Dus jij zal morgen zeker wel voor een rijtuig zorgen, hè, Lief? We komen, zooals ik je al schreef, maar toch nog eens zeggen zal, omdat je het dan niet meer in mijn brief hoeft op te zoeken, 4.41 spoortijd, 5.01 gewone tijd in Bussum aan.

Prettig, dat Hein en Dientje zoo aardig waren, en hef, dat ze ons Zondag over acht dagen hebben gevraagd.

O, Lief, als ik daaraan denk, dat dit nu gelukkig de laatste brief kan zijn van de lange reeks, die ik je opvolgend zond, omdat we nu toch eindelijk, eindelijk voor goed bij elkaar zuüen zijn, dan juich ik inwendig van diepe, zalige vreugd; o, nooit meer alleen, o, nooit meer overgeleverd aan eigen onvruchtbaar gepeins, o, Lief, Lief, dat zal een hemel wezen!

O, me altijd in je veihgende nabijheid te weten, — altijd in staat je te hooren en te spreken en te zien, - o, de loutere gedachte daaraan, doet me al trülen van geluk. Ik heb je hef, eindeloos, eindeloos, eindeloos; mijn gevoel overweldigt me door zijn wondere macht,

Sluiten