Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welkom, maar meer, zonder twijfel, nog die van Hooft. Eèn eeuwige eer voor hem, en een merkwaardig moment in de geschiedenis van onze letteren, dat daar die twee dichters, de 26-jarige die zijn italiaansche reis al vijf jaar achter zich had, nu te Leiden studeerde en binnen enkele jaren Drost te Muiden zijn zou en de 20-jarige koopman, voor het eerst samenkwamen. Hooft was toen al, en bleef, de maker van gedichten die tot de schoonste nederlandsche behooren, hij bracht als geschiedschrijver een werk voort dat nog altijd de beteekenis van een vaderlandsch monument behoudt; maar hij was niet wat Vondel in deze eerste onbeholpen proeven begon te wezen, de schepper van een vers dat eeuw aan eeuw de hoUandsche poëzie beheerscht.

Het is opmerkelijk dat Vondels eerste gedichten (daar wij nu van de rederijkers-rijmen afzien) alle drie in de sfeer van Venus en Cupido spelen. De ontluikende zinnelijkheid drijft hem niet tot een eigen onmiddelijk minnedicht, zooals dat bij Breêro en ook bij Hooft het geval was, maar verplaatst hem enkel uit de christelijke mythologie naar de heidensche. In het Oorlof-liedt stalt hij voor zijn beminde alle namen van grieksche goden en helden uit. In de Dedicatie zegt hij dat toen Venus haar knaapje ter wereld bracht, Jupiter het dooden wou, omdat het de oorsprong zou zijn van tweedracht onder de menschen; maar dat zijn moeder het gered en tot hen, de friesche en overijsselsche meisjes gevoerd had, die het voedden,

11

Sluiten