Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoe langer hoe meer kuischen zou; een taalbehandeling, die hem noopte in de eigen, de nog onontgonnen taal, te delven en omtezien; een ernstige zakelijkheid, die hem vroegtijdig bewust maakte dat het langere gedicht een ondergrond van studie vereischte en kennis van de werkelijkheid een dichterlijke noodzaak was.

Geen wonder dat zijn dankbaarheid toenam naarmate hij zich meer in hem verdiepte. Hij deed dit ook door vertaling. Zoowel Les Pères waarin van Abrahams offerande, als Les Magnificences waarin van Salomo gehandeld wordt, heeft hij overgezet; het laatste misschien eerst tegen 1620, toen het in druk verscheen, het eerste stellig veel vroeger. In 1616 werd het uitgegeven, maar het maakt zoozeer de indruk van een arbeid die terwille van de studie ondernomen werd, dat ik geneigd ben het voor een, later misschien herziene bewerking van verscheiden jaren eerder aantezien.

Hij liet het voorafgaan door enkele regels die zijn geheele overgegevenheid aan de dichter goed uitdrukken.

O Bartas! Vranckrycx roem, onsterflijcken Gascon! Duld dat ick bleecke sterr' myn licht scheppe uyt u Son, De bleeckste sterre hoe doof, en droef datse is van luyster, Hoe seer sy s' daeghs haer schaemt, so straeltse noch

[int duyster:

Soo kan oock erghens ick (daer s' Werelts aenghesicht De goude toortse ontbeert) noch lichten met mijn licht, Ter tijdt ghy weer verguit met uwen glants de daken, Wanneer myn lampe uyt gaet, en ophoud van te blaken.

19

Sluiten