Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waeromme vliedt het schuw Konijn En d'achter-lamme bloode Hasen, Die als een schaduw wechgheblasen Zoo flocx in hun zant-holen zyn? De azure Visschen waerom duycken Sy voor 't doorluchtich net zoo ras Int diepste van het water-glas, Int diepste van Thetidis kruycken?

Ach! om hun vrijheit, die zoo naecte Een ieder van naturen wis Syn voorhooft ingheschreven is Van dat hy eerst int licht gheraecte. O drijmael edel vrijheyts kroon!

In het vierde en vijfde deel, kan men zeggen, komt de zang niet meer tot bedaren. Farao treedt op, maar zijn spreken is een klaagzang om de dood van de eerstgeborenen, een rei van Egyptenaren nadert, eerst een Man, dan een Vrouw, en klaagzangen zijn hun woorden, totdat Farao onwillig verlof tot de volledige uittocht geeft. De Israëlieten trekken voorbij en zingen Egypte hun afscheid toe.

Maar plotseling komt Farao terug tot zijn verstoktheid. Hij geeft zijn bevelen, hij bereidt zich tot de vervolging. Het koor zingt de noodlottige waarzegging van zijn ondergang.

Het laatste deel is het verhaal van Fama, de Hymne van de Joden, het dankoffer van Mozes, en de slotzang van het koor, dat de zin van deze aardsche verlossing opensluit als afbeelding van de tocht naar de zaligheid.

Het Pascha is de eerste groote uiting van Vondels zangdrift; want hij heeft er alle andere hartstochten,

35

Sluiten