Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat hij geschreven heeft. Hij heeft zijn maatscnappeKjke mensch ontwikkeld, en die blijkt van een buitengewone beminnelijkheid, bevalligheid, teederheid, hoffelijkheid, maar ook van een groote kordaatheid en openheid. Er werkt in hem een vormbeginsel dat van de meest onverhulde gemoedsuiting tot de opzettelijkste welsprekendheid gaan kan,' zonder ooit te doen voelen dat er grenzen zijn die het overschrijdt of waardoor het bedwongen wordt. Toch zijn er grenzen, en de strengste, maar de vrijheid die zich hancihaaft is machtiger!

Die wisselwerking van vrijheid en gebondenheid heeft nu ook niet enkel het tempo lenig gemaakt en de algemeene ritmen van de beweging vloeiender, maar is tevens de klank, als enkeldeel van het vers, ten goede gekomen. Iedere klank is open en heeft toch voelbare grenzen: hij is zuiverder en doorzichtiger.

Wie weet hoezeer tot deze deugd de lezing van Vergilius heeft meegewerkt, want ze is zijn kostelijkste eigenschap.

De eigenlijke muzikaliteit van het Vondelsche vers is daarmee veroverd, en zij zal in zijn goede werk nooit verloren gaan, al heeft hij haar zelf soms, terwille van taalkundige en prosodische overwegingen — bv. bij zijn herzien van de Geboortklock — aangetast.

Dit gedicht is van die muzikaliteit geheel doordrongen en het is merkwaardig optemerken dat Du Bartas, wiens invloed er nog eens sterk wordt verlevendigd, juist daarvan niets bezat.

4

49

Sluiten