Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van weidschheid ontdane, kortere, inniger vers van de Altaergeheimenissen, zoowel als het uitvoerige woord aan woord voegende proza van de Vergiliusvertaling waaraan hij bezig was, — alle drie duiden op een tijdperk van ingetogenheid, een geestelijke retraite na zijn zegepralen op de Stadsschouwburg. Maar terwijl het eerste werk de vrome vervulling van een opdracht was, half en half nog in aansluiting aan zijn dramatische uitbeelding, en het laatste een letterkundige arbeid waardoor hij in voeling bleef met zijn tijdgenooten, was het middelste een persoonlijk-dichterlijke belijdenis, een hartgrondige, een hartstochtelijke verdediging van het Misoffer.

Het kan niet anders of voor de kennis van Vondel, ook van de dichter en kunstenaar Vondel, moet die bizonder inlichtend zijn.

Vondel was opgevoed onder de Doopsgezinden, in een gemeente die een betrekkelijk groote vrijheid liet. Hij behoorde niet tot diegenen onder haar lidmaten, die die vrijheid grooter wenschten. Integendeel. Toen in 1625 de doopsgezinde predikant Hans de Ries de profetische ingeving van de leek gelijk wou stellen aan het Bijbelwoord, had Vondel de partij van zijn tegenstander, Nittert Obbesz. gekozen.

Ook lag in die door Luther gewonnen winst: dat uitsluitend de Bijbel gezag had over de geloovigen, een zoo waardevolle bevrijding, dat men niemand bekrompen kon noemen die haar tegen leekeningeving handhaafde. Niet naar de vrije religieuze

74

Sluiten