Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ick ben geen Phaëton, in 't mennen onervaeren:

Al schort het my aen groey, my mangelen geen jaeren:

Oock zal mijn moeder u versellen sy aen sy: De Drossaerd over u en over haer geseten, Al vloeyende den pad met bruiloftveersen meten,

En stroyen met den mond een lent van poësy.

De wackere uuren, myn vrou moeders kamenieren En deurbewaerderssen, de poorten die er gieren

Van louter goud, terstont ons sullen opendoen. Ick sal u setten, met het glippen myner raden, Daer 't bruyloftbedde duyckt in frissche myrtebladen,

En avondstarrig licht siet schitteren door 't groen.

Ach! waerom deckt natuur de aenlockelijcke naecktheyd Der schoonheyd, en 't gebruyck der opperste volmaecktheyd

Soo schuw met schemerschaedwe, en sluyerpaers en wit? Is 't niet om 't hart te meer te noopen met verlangen? En Mins verbeeldingen meer kracht te doen ontfangen,

Wanneer haer vlamme weyd van 't een tot 't ander lit?

Die selleve natuur schiep daerom de gepeynsen

Der vrouwen weygerlijck, en gaf haer 't geestigh veynsen

En 't marren in 't geheymst des boesems met voordacht, En winterkou en koelte, en traegheyd tot ontfarmen; Om, met een heetren toght, gelieven in liefs armen

Te werpen, tot meer heyls voor 't menschelyck geslaght.

Als Cupido door Poësy gelauwerd en door Venus geprezen is, zingen de Charites een lied, en zegt Ganymedes een afscheidswoord.

De hier gegeven teekening van de vrouwen-aard, zooals hij, niet door de omstandigheden geworden, maar door de natuur geschapen is, zal men in Vondels bruiloftsdichten vaak terugvinden.

Een ander uiterste van deze bruiloftspoëzie vindt

98

Sluiten