Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geeft niet de laatste, Besluyt genoemde strofe het antwoord?

Vreest den worm, die desen rechter 't Hart afbijt.

Daar was dus een rechter, een van de Vier-entwintig, die wroeging voelde. Vergeefs zocht hij troost bij een geestelijke van zijn belijdenis. Was het mogelijk, dat hij vergiffenis kreeg? Mogelijk? Hij, de gierige, die geld ontving voor zijn rechterschap, hij de wreede, die meegedaan had aan 't vermoorden van zulk een man? Het opkomend medelijden met de ongelukkige werd overstemd door Vondels sterkere medelijden met Barnevelt. Vandaar zijn vraag in de eerste strofe: Hij, Barnevelt, had hij dan geleefd om vermoord te worden? En waarom toch? vraagt hij in de tweede; hij was oud; hij had nooit het verraad gepleegd waarvan men hem beschuldigde. Nu, gaat hij voort in de derde, nu klaagt gij, rechter, dat goed noch bloed u van wroeging verlossen kan. Ga dan maar, haal Predikanten en tracht of ze u kunnen troosten. Troost is onmogelijk:

Niemandt kan de wellen stoppen Van die Moort.

Laat elk zich aan hem spiegelen, besluit hij, laat niemand een goed man beschuldigen dat hij een verrader is.

De Geusevesper is geen hekeldicht: het is een klein gewetens-drama, dat zich in Vondel heeft afgespeeld. Zeven jaren na Barnevelts dood werd hij op deze proef gesteld en gaf dit antwoord.

I02

Sluiten