Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geschikt om de aandacht van het werk afteleiden. De ware opdracht vindt men in het werk zelf. Vondel richt hem aan zijn nichtje Anna Bruining, die moeder in het klooster Bethlehem te Brussel was. Dit zusterskind was, als zeventienjarige, tegelijk met hem roomsch geworden en zeventien jaar later in de orde van de arme Clarissen opgenomen. Vondel schreef toen voor haar zijn Maeghdepalm:

Weinigen heeft Godt gegeven

Al wat oog en hart bekoort, In de lente van haer leven

Aftesnijden: 't eeuwigh Woort, Jesus' rechte hant te trouwen;

Hem te volgen onder 't kruis, Zonder omzien, en berouwen,

Stil, gehoorzaem, arm en kuisch. 's Nachts te bidden, en te waecken

Op den bergh: geen leckerny Met de kiesche tong te smaecken:

Altijt godtgetroost, en bly, Opgetogen met gedachten

In het hemelsch heilighdom Vol betrouwen in te wachten

Aller zielen bruidegom: Zulk een lot, het hooghst' van allen,

Zulck een kostelijck kleenoot Is nu Anna toegevallen.

Toen reeds had hij haar naam met die van Joannes verbonden:

Kon Sint Jan in wildernis, Vrohjck, eenzaem, afgescheiden,

135

Sluiten