Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

struiken, met den nachtegaal slechts tot getuige, en desnoods een druppel maanlicht, die zich door het loover een weg heeft gebaand. Maar ik geloof, dat mijn jeugd en vooral mijn voornaamheid het zonder Pluto's hulp ook wel af zouden kunnen. Zachtjes strijkt ze met de vingers over het fluweel van mijn mouwen, en betast er het zilveren borduursel van. Een van de voorbijtredende dansers blikt angstig en boos naar ons beiden. Vergis ik mij, of is er iets gedwongens, een stijfheid, over de in en uit elkander schuivende figuren gekomen?

Neen, zoo wil ik den avond niet eindigen. Met een vriendelijk woord neem ik afscheid, en zet mij vreedzaam naast mijn kleinen kameraad. Jacobus roep ik aan om weer een vollen beker.

Van den kant van de kerk nadert een zwarte soutane, die een geweldigen hangbuik omspant. Het purperen hoofd, dat er bijhoort, lijkt door de laatste stralen van de zon in brand gestoken.

Er wordt voor mijn tafel een rossige, driekante steek afgenomen, en er wordt mij verzekerd, dat er niets, van mijn komst is geweten, omdat het binnenrijden van mijn reiskoets door geen sterveling is gezien.

Ik voel dat er geen verdenking mag opgewekt worden.

„Mijn reiskoets," zeg ik, „is daar ergens buiten op den weg blijven steken."

70

Sluiten