Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

najaar onder luid gejuich een stekelige kastanje in den schoot rolt, en wat vroeger in den tijd, de blaadjes van den perebloesem.

De heg om den tuin is zoo hoog, dat een ruiter alleen er over heen kan kijken. Dit doet dan ook altijd de jonge kasteelheer, als hij op zijn schimmel voorbijrijdt. En telkens wuift hij mij toe. Maar ik wend het hoofd af, omdat ik de juweelen niet verdragen kan, die aan zijn vingers schitteren, en waar hij zelve overal van rondbazuint, dat ieder er van een traan of een bloeddrop beteekent van een der lichtgeloovigen, die door hem bedrogen zijn. Toen heeft hij met vader gesproken, en hem een groote som beloofd, als ik kamenier wilde worden bij zijn gebrekkige moeder. En vader, die uit zijn rookwolken al een paar lakeien in de werkelijkheid ziet treden, en daarbij heelemaal vergeten is, dat één droom meer waard is dan de vervulling van een dozijn of wat wenschen, geeft hem zijn toestemming."

Hier eensklaps onderbreekt Madeleen haar geschiedenis, om mij verwonderd aan te staren. En, ja, ik moet een belachelijk figuur hebben geslagen met mijn vuurrood gezicht en mijn onbehouwen rapier, dat ik in mijn verontwaardiging al een eind uit de schee heb getrokken.

„Natuurlijk heb ik geweigerd," vervolgde zij gelaten, „en toen ze me toch wilden dwingen, heb ik . . ."

129

Sluiten