Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI ER-EN-DER TI GSTE HOOFDSTUK

Beschrijft, hoe ik afdrijf van de eilanden der zaligen, en tusschen gevaarlijke klippen aan land spoel.

Toen ik uit de schaduw in den lichtkring trad van de walmende talkpit, zag ik Madeleen, die zich evenmin ontkleed bleek te hebben als ikzelve, het voorhoofd gefronst en de kin in de hand, op de dorre varens van haar legerstede zitten.

Verwonderd hief ze het hoofd op naar het gerucht dat ze meende te hooren, maar toen ze mij ontwaarde, sprong ze op. Ze staarde mij aan, den mond half geopend, en langzaam week ze stap voor stap terug. Tot aan den rotswand, en daar duwde zij de schouders tegen, drukte er de vingers in, alsof zij tot steen wilde worden.

„Frido," smeekte ze.

Ik preste mijn mond op den hare, ik deed het als een roofdier, dat zijn prooi heeft gegrepen, en de kus van mijn blinde verdwazing was zoo gloeiend, zoo droef.

Ik voelde haar machteloos worden in mijn armen, ik trachtte haar op de bladeren neer te leggen.

Zij herwon haar bezinning, en God zij geprezen, ze ontglipte mij.

Haar vlucht toen, en ik, die vervolgde; de gang dan,

161

Sluiten