Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Madeleen's dolksteek bloedde niet meer, maar een mouw van mijn lijfrok vertoonde een gat bij den schouder en een groote roestvlek tot den elleboog.

Eer ik mij een richting had gekozen, velde de uitputting mij neder. Echter niet voor ik, als een dier dat gewond is, instinctmatig mij onder de beschutting van een bosch je dichte struiken had gesteld, gaf ik mij aan den sluimer gewonnen, en daar lag ik, juist zooals van dat kind wordt verteld, dat aan den rand van den afgrond in slaap is gevallen en door de zorg van een engel beschermd wordt, vlak met den dood aan mijn zijde, terwijl Valentijn, zooals mij dat uit latere berichten duidelijk geworden is, langs denzelfden weg, waaraan ik mijn bed had gekozen, maar vele mijlen verder naar den avond toe, met zijn gitaar op den rug voortstapte, uitweek, toen een ouderwetsche, geelgrijze reiskoets, gemend door een schelen koetsier in een versleten, vuurroode livrei, en getrokken door twee schonkige schimmels, achter hem aanwaggelde; üitweek, den mond opende, om een schreeuw uit te stooten, doch hem tegelijk ook weer dicht deed, toen hij het zich duidelijk gemaakt had, dat wij allebei samen toch veilig en wel in de grot waren geborgen, waarna hij het uit zijn gedachten probeerde te bannen, dat hij in de kamenier, die in de karos naast een opgedirkt vrouwspersoon, bleek en met gesloten oogen, achterover leunde, Madeleen had herkend.

163

Sluiten