Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Doorgereden, nadat er iemand met kraaloogen in het hoofd van een half beurschen appel naar je gekeken heeft."

„O, als je wist, wat een wonder," roept ze, terwijl ze haar hand in de mijne legt.

Valentijn blijkt dadelijk weer ingeslapen, en we vieren ons dankfeest tezamen. Fluisterend vertel ik haar dan van de hulp, die de pastoor van Floreuse beloofd heeft, en hoe ik hoop, dat hij ons trouwen zal. Verder breng ik verslag uit van mijn gansche reeks van avonturen, maar zoó dat ik zorg draag, dat ze niet den vicomte de Lingendres, maar den zoon van den deurwaarder zijn overkomen. Toch verwijt me mijn geweten geen oogenbhk, dat ik bedrog pleeg. Bèn ik in werkehjkheid dan niet de platzakke speelman, die zijn huis heeft verloochend, en er het dak van den hemel voor verkozen heeft, en is het geluk, dat ik nu aan het hart druk, niet uit een paar hederen en wat bhjde accoorden tot een schoone gestalte geworden, zooals Venus uit het zeeschuim opgerezen is.

Wat zou het haar zeggen, wanneer ik bekende, hoe ik eigenlijk genoemd moet worden? Zou de voorstelling niet valsch zijn, die ik met „ik ben een edelman," zou hebben opgewekt? En zoo kwam ik in mijn onschuld tot de waarheid, dat de waarheid de waarheid niet is.

222

Sluiten