Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het me tegen, dat het me een schrik van geluk geeft.

Maar vader Nicol keert zich tot ons, om ons toe te spreken.

Wit rijst hij op voor het sneeuwwitte altaar; toch is het niet de priester alleen, die het woord voert, maar hij ook, die den boeket van zijn knikkende asters aan het hart gedrukt heeft, als hij ze opbond, en die den schoot van zijn versleten soutane met rijpe appels gevuld heeft, ja, en de handen, waardoor de heerlijkheid van de hemelen over ons uitgestort wordt, ik ken ze als dezelfde, die ik zwart van den geurigen grond heb gezien.

Een rede houdt hij, waar hij als tekst voor heeft gekozen: „En ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde, en de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan." En hij roemt onze verbintenis. Een huwelijk prijst hij ze, waarvan ieder zou willen getuigen, dat het geen ander is, dan wat juist zóó en zonder die stoornis van avonturen en zwerftochten in die andere wereld daar had kunnen worden gesloten. En hierbij maakt hij een gebaar, alsof hij over de onvruchtbare zütheid van oneindige zeeën heenwijst.

„Maar ik kan verklaren," roept hij uit, „dat het er even weinig mede gemeen heeft als een roos met een goudstuk, en dat het onder zonnestralen en regenvlagen uit Gods handen ontbloeid is, en nu aan zijn borst ligt geborgen."

254

Sluiten