Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZESDE HOOFDSTUK.

HET WESTEN TOT DE ONDERWERPING VAN ITALIË AAN DE ROMEINEN.

§ i. Italië, Etrurië, Carthago.

Bevolking. Italië was in de Oudheid nog het onbekende, grootendeels onbeschaafde Westen, toen de Phoeniciërs en na hen de Grieken er hun koloniën kwamen stichten. De Grieksche cultuur is hier van blijvenden invloed geweest, want zij vond er twee volkeren, die zoo ver in beschaving gevorderd waren, dat zij Zeer veel van de vreemdelingen konden overnemen: de Etruriërs en de L a t ij n e n.

Omstreeks 700 waren de Etruriërs het machtigste volk van Italië. Ten westen van hen vinden wij de Liguriërs gevestigd. Het eigenlijk schiereiland was de woonplaats van de Italische volkeren: Umbriërs, Sabijnen, Lucaniërs, Volscers, Samnieten, oorspronkelijk wilde stammen in woeste bergstreken. Zuid-Italië is spoedig geheel vergriekscht. Slechts één der Italische volkeren is de andere in vooruitgang voorbijgestreefd: de L a t ij n e n. Hun land lag tusschen de veel meer beschaafde wereld der Etruriërs en Grieken, zij woonden in steden, wisten te profiteeren van de kennismaking en het verkeer met hun buren. De voornaamste landschappen in Italië zijn: Etrurië, Umbrië, Samnium; Latium, waar Rome werd gesticht aan den Tiber; Campanië met de hoofdstad Capua en het Grieksche Napels. De noordelijkste der Grieksche koloniën was Cumae. In Lucanië en Bruttium lagen er veel: Rhégium, Croton, Sybaris. Langs de oostkust het landschap A p u 1 i ë en ten zuiden daarvan Calabrië, waarin het Grieksche Taréntum. Het zijn de zuidelijke streken, die in de geschiedenis

Sluiten