Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

194

1. het maatschappelijk werk der Cisterdensers;

2. het ontstaan der steden.

De Cisterdensers braken op hun landgoederen met het oude stelsef ^Van den gedwongen arbeid, kenmerkend voor de lrjfdgenschap ert'tttfnoorigheid, om er voor in de plaats te brengen d e n v r ij e n a r b e i d. Zij hieven den toestand van dienstbaarheid op, bevorderden hun boeren tot vrije pachters, die voor dgen rekening het landbouwbedrijf uitoefenden en aan de abdijen alleen nog t i e n d e n hadden op te brengen. Tegelijkertijd zorgden zij nauwgezet voor de behartiging van de geestelijke belangen van hun werkers. Vandaar het spreekwoordelijke: onder den kromstaf is het goed leven. Het pdl van beschaving^der laagste standen werd daardoor aanmerkelrJPverhoogd. Het bleek, dat dit stelsel lddde tot veel hooger opbrengst van den grond, dan het oude systeem. Daarom werd het overgenomen door andere grootgrondbezitters, ook door den adel. In Frankrijk en de Zuidelijke Nederlanden is het eerst een ingrijpende omwenteling in de maatschappelijke verhoudingen het gevolg geworden. De nu welvarende boeren gaan zich vestigen in de steden, waar zij gemakkelijk een plaats vinden onder de burgerij.

Tegelijkertijd waren de steden al van meer beteekenis geworden door den handel, vooral in Lombardije en Frankrijk. Het kenmerk van een stad Ö1»*4 tonoombestuur. Dikwijls schonken de landsvorsten dit voorrecht aan de bewoners om hun steun te winnen tegen den feodalen adel.

De gilden ontstonden 1). Het waren stedelijke vereenigingen van patroons of arbeiders, die hetzelfde vak beoefenden. Men onderscheidde in een arbddersgilde drie groepen: leerlingen, gezellen, meesters. De leerling was nog in zijn leertijd, kon daarna gezel worden, maar door een proefstuk werd hij meester en mocht zich dan ook als patroon vestigen. De gilden stonden onder het toezicht van de stedelijke overheid, maar genoten het voorrecht van z e 1 f b estuur onder leiding van hun o v e r 1 i e d e n. Hun doel was het volgende: tl Waarborg, dat alleen bekwame vakheden een ambacht uitoefenden. 2. Regeling van rechtvaardige arbeidsvoorwaarden. 3. Toezicht op de levering van goede waar. 4. Verzekering van een passend maatschappelijk bestaan aan patroon en werkman. 5. Tegengaan van oneerlijke concurrentie en bescherming van het kleinbedrijf tegen de groote ondernemingen.

De godsdienst was de grondslag van de maatschappij, derhalve ook van het gildewezen. Elk gilde had zijn Beschermhdlige, dikwijls een eigen altaar in de kerk. Den arbdd, verheven door het Geloof tot den adel van den plicht, vinden wij zinnebeeldig voorgesteld door den H. Joseph, wien het Goddelijk Kind Jezus als leerling en als gezel ter zijde staat, terwijl Maria wordt afgebeeld spinnend of wevend naast dewiegvanHaar Kindje. Zoo werkten Geloof, Arbeid en Huisgezin op elkander in tot vrede en welzijn van de maatschappij. De Kerk zorgde meteen voor de onmisbare vakantie door haar feestdagen, wier aantal

x) Vgl.: Mr. P. J. M. Aalberse, De Gilden, Futura, Ldden.

Sluiten