Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i8i

rende groote mogendheid op de Noordzee zou Brittannië in geen geval dulden.

De zet van Bismarck zette Napoleon schaakmat. Engeland deed hem begrijpen, dat hij België alleen zou kunnen verkrijgen door een oorlog met Engeland. Toen moest Frankrijk het hoofd buigen.

De Luxemburgsche kwestie, 1867. Napoleon heeft nog een poging gedaan om voor zijn keizerrijk een vergrooting van gebied te verkrijgen. Hij sloeg het oog op Luxemburg. Het groothertogdom was wel door een personeele unie verbonden met Nederland, maar behoorde tot den Duitschen Bond. Koning Willem III wilde op een voorstel van verkoop, door Napoleon gedaan, wel ingaan, het verdrag lag reeds klaar. Bismarck stuurde het er op aan Napoleon III en Willem III beiden er in te laten loopen, maar dat werd hem afgetroefd door de voorzichtigheid van de Nederlandsche regeering (Interpellatie-Bennigsen). Nog net op tijd brak Willem III de onderhandelingen af, toen zeker werd, dat een oorlog het gevolg Zou worden. Frankrijk was niet in staat een aanval van Pruisen te weerstaan.

In 1867 werd de positie van Luxemburg door deLondensche conferentie geregeld. De vesting Luxemburg zou worden ontmanteld, de mogendheden waarborgden gezamenlijk de neutraliteit van het groothertogdom. Tot het uitbreken van den oorlog van 1914 is deze overeenkomst van, kracht gebleven.

Ook in Frankrijk begon men in te zien, dat een oorlog in de naaste toekomst niet tot de onmogelijkheden behoorde. Maarschalk N i e L. de minister van oorlog, diende in 1867 een wetsontwerp in tot invoering van den algemeenen dienstplicht. Het werd verworpen. Wel zijn andere wapeningsmaatregelen'genomen, maar deze beantwoordden slechts half aan het doel, doordat ze niet energiek werden uitgevoerd.

Frankrijk vormt gedurende de kritieke jaren van 1866 tot 1870 wel een scherpe tegenstelling met de Duitsche landen. Het keizerrijk geraakte inwendig hoe langer hoe meer ontwricht, terwijl de Noord-Duitsche Bond tegelijkertijd steeds hechter zich aaneensloot. Niet alleen dat Bismarck er de centrale leiding in handen had, maar de Zuid-Duitsche Staten begrepen in hun eigen belang het nut van een economische aansluiting bij den Bond. Alle staten traden toe tot het Tolverbond, waardoor het handelsverkeer in Duitschland uniform zou geregeld worden, 1868.

De Ausgleich. Fransjozef nam in 1867 een gewichtig besluit in het belang der Donau-monarchie: de Ausgleich..

Sluiten