Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24

V.

HET BEEST IN DE MENS.

Alle levensvormen zijn strijdvormen, daar gaat niets van af. De zuigeling, die met kracht van stembandten vader en moeder in 't nachtelik uur tot wanhoop drijft, voert op zijn manier evengoed de strijd om het bestaan als de jonge mannen of vrouwen, die door zoete minnelist elkanders hart pogen te veroveren: alleen geldt het hier het bestaan van de soort.

Maar dat neemt niet weg, dat die strijdvormen of levensvormen toch wel eens tameli'k veel van elkaar kunnen verschillen, méér soms nog dan de minnestrijd en de strijd om 'n droge luier, en dat ten opzichte van die vormien de smaken óok nog al eens kunnen uiteenlopen. Wat de een „ein frischer, fiöhlicher Krieg" noemt, noemt de ander beestachtig, en wat voor die ander levenstrijd en levensdoel van de gehele mensheid is, ziet de eerste weer enkel als kwaadwillige en laaghartige ophitserij. En héél erg hoeft ons eigenlik dat verschil in waardering niet te verwonderen: dat verschil immers is zelf een vorm! van de meningstrijd, waarin alle andere strijdvormen zich ten slotte oplossen! En tóch kan ik het verwonderen soms niet nalaten, en dóet die verwondering vragen bij mij opkomen, die de wijze Nathan zelf misschien niet zou kunnen beantwoorden. Zo las ik b.v. onlangs in onze krant, dat in de verkiezingsdagen een schuit met (meest jeugdige) propagandisten van een der rechtse partijen, die door de Amsterdamse grachten voer, door de buurtbewoners met een regen van stenen en stukken hout, vergezeld van de nodige krachttermen, was ontvangen, terwijl die strijdvorm aan de berichtgever geen andere opmerking ontlokte, dan dat hij daar het bewijs m zag „dat er in het Jordaanproletariaat iets leeft, dat door cns revolutionnairen moet worden warm gehouden". En toen wat later bekend werd, dat in het hart van Limburg een paar propagandisten, niet van ónze partij, maar van onze naastbijstaande en daarom allerfelste tegenstandster, de S. D. A. P., waren afgeranseld, en daarbij zelfs een vrouw ergerlik was mishandeld, waren wij allen (en ongetwijfeld de berichtgever van zoéven niet het minst) daarover hevig verontwaardigd, en verweten wij het voorgevallene niet alleen aan de ^"beestmensen" zelf, die zich aan die gewelddaden hadden schuldig gemaakt, maar ook en veeleer aan degenen, die ertoe hadden

Sluiten