Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20

Eerste Dar (terzijde): Wat zegt ze van darren ?

Tweede Dar: Stil 1 Ze is al kindsch, geloof ik.

De Ziener: Zeker is dit uw tweede jeugd, o eeuwig jeugdige koningin. Maar ter zonne vliegen zult ge niet.

De Koningin: Zal ik niet ter zonne vliegen, o Ziener ? En waartoe is dan mijn hart zoo licht, en zóo leeg mijn moederlijkheid, dat ik kan gaan in de zomerzon en wel zou willen dansen als de maagdelijkste van mijn maagden ? Waartoe is dit alles, o Ziener, als het niet is, dat ik nog eens weer ter zonne zou wieken en mij vereenigen met het licht ?

De Ziener Het is, o eeuwige koningin, omdat gij nu maagd èn man zijt in-éen en uit uzelve zult kunnen scheppen naar believen.

De Koningin: Ben ik dan zóó machtig, o Ziener?

De Ziener: Zóo machtig zijt gij, o koningin. De mannelijkheid, die zich eens volkomen in u verloren heeft, draagt vruchten tot in de eeuwen der eeuwen. Maar heil nu, ge moet gaan. De zegen van heel een volk, dat uit u werd, vergezelt u.

De Achterblijvers: Heil u, koningin. Heil u, onze moeder, uit wie wij geworden zijn! (De stoet formeert zich: voorop speurders en trompetters. De koningin schrijdt naar voren, door een dubbele haag van werksters, die haar toezingen):

Koor van Werksters:

Zoeme, koninginne,

Wil den tocht beginnen 1

Gij, ons hart, ons hoofd, ons kruis.

Leid ons naar het nieuwe huis.

(Dan sluiten zij zich om haar heen, en, nageoogd door de achterblijvers, verdwijnt de stoet tusschen twee stammen van papavers).

(De achtergeblevenen, de ziener en zijn jongeren hebben zich in den korf teruggetrokken. Enkele werksters gaan alweer aan den arbeid, honing en meel halen voor de jonge koninginnelarven. Zacht klinkt hun gezang):

Sluiten